De geheimen van het dode lichaam

Post mortem

In Nederland worden jaarlijks een paar honderd moorden niet als zodanig herkend en onderzocht. Terwijl forensisch wetenschappers zo veel kunnen afleiden aan de sporen op het menselijk lichaam. ‘Elk botje dat hier binnenkomt, vertelt ons een verhaal.’

Medium 3.nicole 20segers post 20mortem 2018072012 web

FORENSISCH ANTROPOLOOG Reza Gerretsen kijkt van achter zijn zwartgerande bril geconcentreerd naar het skelet dat op een krakend wit laken ligt. Hij loopt om de roestvrijstalen snij-tafel heen en neemt de schedel in zijn hand. Draait die voorzichtig om. Zijn operatiehandschoenen piepen zachtjes als hij aan een oneffenheid op het bot voelt. In de sectiekamer hangt een lichtzure lucht. De technisch fotograaf, de sectie-assistent en zijn jonge forensisch antropologe in opleiding wachten zijn instructies af. Hun steriele, blauwe operatiejassen ruisen zachtjes als ze zich door de ruimte bewegen. Alle onderzoekers dragen handschoenen, maskers en haarkapjes. Gerretsen gebaart. De fotograaf maakt de eerste foto’s. Wie is deze persoon? En waaraan is hij of zij overleden? Door de plek waar het slachtoffer is gevonden, lijkt het erop dat de dood niet natuurlijk was.

Gisteren heeft Gerretsen het net gevonden lichaam uit de verzegelde kist gehaald, alle verpakte onderdelen - de zogenoemde svo’s, de stukken van overtuiging - heeft hij laten fotograferen, samen met de specifieke identificatienummers. Hij heeft alles uitgepakt, nogmaals laten fotograferen en vervolgens heeft hij alle onderdelen op zijn plaats gelegd: de wervels, de arm- en beenbotten, de voeten en handen. Toen al zag hij dat niet alle skeletdelen aanwezig waren. Nu gaat hij dat volgens protocol noteren. De foto’s van de plaats van vinding zitten in zijn hoofd, hij heeft ze goed bestudeerd van tevoren. De positie van het lichaam, de omgeving, soms geeft het hem aanwijzingen over de manier waarop iemand is gestorven. De cause and manner of death. Maar nu tast hij nog in het duister. Hij heeft wel al iets gezien wat hem opviel, dat wil hij vandaag onderzoeken. Hij probeert de puzzelstukjes bij elkaar te leggen.

Reza Gerretsen van het Nederlands Forensisch Instituut (nfi) in Den Haag is de enige arts-forensisch antropoloog in Nederland en een van de vijf in de wereld. Hij wordt, naar analogie van de Amerikaanse thriller en tv-serie, de Mr. Bones van het nfi genoemd. Hij gaat over de harde delen van het lichaam: de botten en de tanden, in tegenstelling tot de forensisch patholoog die zich over de weke delen van het lichaam ontfermt. Ooit is Gerretsen begonnen als arts-assistent urologie, later arts-onderzoeker, totdat hij acht jaar geleden deze vacature bij het nfi zag en direct solliciteerde. ’s Ochtends als hij naar zijn werk gaat, weet hij niet of hij die dag op een plaats van vinding tot aan zijn enkels in de modder zal staan of hier in het lab onderzoek zal doen. Die afwisseling, daar houdt hij van. Maar ook de ideologische kant van zijn werk vindt hij belangrijk. Hij wil graag een bijdrage leveren, de wereld een beetje mooier maken. Zoals hij al vaak in interviews heeft gezegd: ‘In ziekenhuizen behandelen artsen de ziektes van mensen, wij behandelen de ziektes van de maatschappij.’

In Nederland worden gemiddeld zo'n 250 mensen per jaar vermoord. Bijna veertig procent daarvan wordt doodgeschoten, dertig procent doodgestoken, tien procent dood-geslagen, vijf procent sterft aan een andere vorm van fysiek geweld, tien procent aan verstikking of wurging en vijf procent aan vergiftiging of verdrinking. Wordt iemand onder verdachte omstandigheden dood aangetroffen, dan wordt een forensisch arts gewaarschuwd. Deze wordt naar de plaats delict geroepen om het lichaam te schouwen, om te onderzoeken wat het lichaam zegt aan de buitenkant. Wat is de oorzaak van het letsel en in welke situatie is het gevonden? Vaak zitten er sporen op het lichaam. Speeksel, bloed, daar kan dna uit worden gehaald.

DE PLAATS DELICT is belangrijk voor de forensisch arts, verklaart Daan Botter, een van de vier artsen van het instituut. Wat is hier gebeurd? Wat is de meest waarschijnlijke doodsoorzaak en welke sporen doen hem daaraan denken? Hij wil zo veel mogelijk de maagdelijke toestand zien, precies zoals het lichaam is gevonden, want aan de lijkverschijnselen, de stand van het lichaam en de omgevingssituatie kan hij al veel afleiden. Zijn er bloedsporen en wat vertellen die? Is er geworsteld, is de omgeving rustig of onrustig? Heeft het zich hier wel afgespeeld of is het slachtoffer hier neergelegd? Hij meet onder andere de lichaamstemperatuur en let op postmortale veranderingen die door ontbinding ontstaan. Dat geeft vaak een goede indicatie van tijd van overlijden - met een marge van enkele uren tot halve dagen. Lijkstijfheid ontwikkelt zich gemiddeld in de eerste zes uur na het overlijden. Daarna is iemand enkele dagen echt zo stijf als een plank. Ligt een persoon dood op bed, is het hele lichaam stijf, maar de armen bijvoorbeeld niet, dan vermoedt Botter al snel dat het lijk is verplaatst, bijvoorbeeld doordat aan de armen is getrokken.

Er zouden volgens Botter nog veel meer fatale misdrijven kunnen worden herkend als forensisch artsen in Nederland bekwamer waren in het uitvoeren van de lijkschouw. Je kunt volgens de forensisch arts heel veel zien aan de buitenkant; kleine puntvormige bloedinkjes rondom de ogen bijvoorbeeld kunnen verraden dat iemand is gesmoord of gewurgd. Maar dan moet je dat wel weten. Veel artsen in Nederland voeren zo weinig lijkschouwingen uit dat ze dit soort bijzonderheden en kleine details over het hoofd zien. Hierdoor is het, aldus de nfi-arts, onontkoombaar dat ze misdrijven, suïcides en ongevallen als natuurlijke overlijdensgevallen aanmerken. Lijkschouwen in Nederland worden veelal uitgevoerd door forensisch artsen die daarvoor onvoldoende zijn opgeleid. Het is een probleem waar Botter al jaren aandacht voor vraagt. Er worden daardoor volgens hem jaarlijks mogelijk een paar honderd moorden niet als zodanig herkend en onderzocht.

Lijkvlekken, roodpaarse verkleuringen door bloedophoping in het lichaam, vertellen ook veel. Zitten die vlekken wel op de plaats die past bij de situatie? Bloed zakt na het overlijden naar de meest lage plek. Als bijvoorbeeld iemand met zijn nek aan een touw hangt, maar de lijkvlekken zitten op zijn rug, dan klopt dat niet. 'Dan was diegene al geruime tijd dood toen hij werd opgehangen’, legt Botter uit. 'En is er dus sprake van een zeer verdachte situatie.’

Als een lichaam vervolgens op haar snij-tafel ligt, onderzoekt Bela Kubat, een van de vijf forensisch pathologen van het nfi, het eerst op blauwe plekken, wonden, het toegebracht letsel. Ze bekijkt de randen van de wonden, zoekt naar kleine tekenen, ziekelijke afwijkingen. Daarna begint ze met snijden. Alle organen haalt ze eruit om de oorzaak van de dood vast te stellen. Ook om oorzaken uit te sluiten. Ze weegt de organen, kijkt naar afwijkingen en snijdt van de belangrijke organen een stukje af voor microscopisch onderzoek. De voornaamste ontwikkeling voor het forensisch pathologisch onderzoek in de afgelopen vijf jaar is voor forensisch patholoog Kubat het gebruik van de ct-scan. De scan kan letsel laten zien dat voor pathologen niet makkelijk toegankelijk is. Bijvoorbeeld in het gezicht. 'Een gezicht laten we altijd heel, via de scan kunnen we nu toch mogelijke breuken zien van kaken en aangezichtsbotten. Dan weten we: waar was de impact en hoe hard?’

De forensisch pathologen doen zo'n 450 secties per jaar. Daarvan is gemiddeld eenderde gestorven door moord of doodslag. Bela Kubat kan bijna altijd iets vinden. Het dode lichaam vertelt haar heel veel. In ruim negentig procent van de obducties of secties vindt ze de doodsoorzaak. 'Er zijn altijd marges en onzekerheden, maar we kunnen veel reconstrueren van wat er is gebeurd. Hoe letsel is toegebracht en welk letsel is toegebracht. Het lichaam vertelt me ook wat er niet is gebeurd: ik ben niet ernstig ziek geweest, ik heb geen hepatitis gehad, ik ben niet geslagen, niet gewurgd, ik ben niet vergiftigd…’

Om de hoek in de gang bij Daan Botter en Bela Kubat zit de werkkamer van bottenexpert Reza Gerretsen. Op de eerste etage van het speciaal voor het nfi ontworpen moderne, technisch toegeruste gebouw. Zijn kamer verraadt zijn fascinatie voor misdaad en dood. Boven op de rand van zijn beeldscherm zitten drie witte, plastic skeletjes, hun voetjes bungelen net over de rand en met hun knokige ellebogen op hun knieën beelden ze horen, zien en zwijgen uit. Rondom aan de muren hangen ingelijste vergeelde anatomische afbeeldingen van ontlede lichaamsdelen, dwarsdoorsneden van hoofden, armen, benen. En als zijn mobiel afgaat, speelt de tune van de Duitse krimi Derrick. Hij heeft ook wel eens dagen die lijken op een aflevering van Bones of CSI. Vooral de spanning op de crime scene herkent hij. De werkelijkheid is natuurlijk weerbarstiger. De tv-series hebben zijn werk wel populair gemaakt en betrokkenen, zoals bijvoorbeeld de politie, leren erdoor out of the box te denken. Een perfecte moord is trouwens best mogelijk, hij zou wel weten hoe het moest, maar de meeste mensen laten altijd sporen achter.

DE VRAAG naar forensisch onderzoek is de laatste jaren door de snelle ontwikkelingen in de forensische technologie enorm toegenomen. Er is daardoor niet alleen een tekort aan bekwame forensisch artsen en forensisch pathologen, het aantal forensisch antropologen is al helemaal klein. Gerretsen heeft jaarlijks zo'n 120 zaken onder zijn hoede - toen hij hier in 2004 begon, waren dat er nog maar veertig. Er wordt volgens hem veel te weinig in zijn vakgebied geïnvesteerd. 'Forensisch antropoloog’ is een onbeschermde titel, iedereen kan zich zo noemen. Veel van het werk dat Gerretsen doet, wordt in het buitenland door forensisch archeologen gedaan, maar die hebben geen geneeskundige opleiding gevolgd en zien, aldus Gerretsen, daardoor ook veel over het hoofd. De cause and manner of death is het terrein van de forensisch geschoolde arts, daar is hij van overtuigd. Archeo-logen moeten zich volgens hem beperken tot de grond, de sporen ter plekke en de archeologische materialen.

Het om en de politie zijn Gerretsens grootste klanten, maar ook voor de tribunalen van Libanon en Joegoslavië, het Internationaal Strafhof en de aivd verricht hij onderzoek. Soms wordt zijn hulp ingeroepen bij grote rampen. Zo maakte hij deel uit van de identificatieteams bij de vliegtuigramp in Tripoli en de tsunami in Thailand. Razend was hij toen hij in Thailand aankwam en ze de lichamen van 'blanken’ alvast rechts hadden gelegd en van 'Aziaten’ links. Als het om etniciteit gaat, is dat heel moeilijk alleen aan het uiterlijk te zien, benadrukt hij. Tegenwoordig zijn mensen vaak gemixt. 'Kijk naar mij’, zei hij als bewijs tegen de onderzoekers daar. 'Ik ben een Indo, dat zie je aan de vorm van mijn gebit.’ Hij spert zijn mond wagenwijd open en laat mij naar binnen kijken. 'En aan de vorm van mijn schedel. Maar als mensen mij kwijt zijn en gaan zoeken naar een duidelijk uitziende Indo, komen ze me niet op het spoor.’ Hij behandelt de slachtoffers zoals hij ook zijn moeder of zuster zou behandelen. Als personen, zorgvuldig en met respect.

In de sectiekamer maken de onderzoekers zwijgend in hun operatiejassen alles klaar voor de sectie. Het skelet ligt ondertussen kaal op tafel, de ene hand nog een beetje gemummificeerd, een stukje huid op de ene voet, een beetje aarde aan de wervels en botten, de schedel ernaast. Het heeft iets geruststellends. Niet dat ik hoop ooit op een plaats delict te eindigen, noch dat Reza Gerretsen van het nfi mijn botten moet bekijken op zoek naar de cause and manner of death, maar dit is wat er van je overblijft. Ook al is de naam onbekend - het is een nn'er , een Nomen nescio, zoals de onderzoekers het onderling noemen, 'Ik heb een nn'er voor je’, zeggen ze dan - de botten zijn nog aanwezig en daardoor ook nog een beetje de persoon zelf. Het is alsof er een levensgeheim is onthuld, alsof ik naar mijn eigen toekomst kijk. Dit is het einde.

'Het geslacht’, mompelt Gerretsen zoekend. Tijdens zijn lezingen en cursussen laat hij vaak aan studenten zien hoe hij het geslacht al aan de schedel af kan lezen. Hij gebruikt daarvoor twee schedels van een man en een vrouw die leefden omstreeks 1500. Hij heeft ze voor zijn lessen altijd bij zich in zijn grote demonstratiekoffer vol gebitten, kaken en botten. Het voorhoofd van een vrouw loopt vanaf het neusbeen een beetje schuin naar achteren, dat van mannen loopt veel rechter. Mannen hebben bovendien een verdikking op de schedel bij de wenkbrauwen, de glabella, vrouwen niet. En er is nog iets. Het achterhoofd van een man heeft een ruwer oppervlak, in de meest extreme vorm zelfs een haakje, waar de nekspieren aan vastzitten. Tegen zijn studenten zegt hij altijd dat mannen dat hebben ontwikkeld omdat ze al eeuwen 'ja’ moeten knikken tegen hun vrouwen. Daarna onthouden ze het voor hun hele leven.

Gerretsen neemt de schedel voorzichtig in zijn handen, draait hem een beetje. Het voorhoofd loopt schuin, geen verdikking van de glabella, geen ruw oppervlak. Hij meet ook nog even met zijn vingers de breedte en hoogte van de oogkassen. Bij vrouwen passen ongeveer drie vingers in de hoogte en twee in de breedte, bij mannen is dat precies andersom. Breedbeeld-tv is een man, grapt hij altijd als hij college geeft en dan vergeten studenten dat ook nooit meer. Soms lijkt het duidelijk te zijn, maar is het dat niet. Neem Nederlandse vrouwen. Veel Nederlandse vrouwen hebben een stevige, hoekige onderkaak - daarom zijn ze in New York en Parijs zo populair als modellen. Maar als buitenlandse onderzoekers zo'n losse kaak vinden, zullen ze in eerste instantie denken met een man te maken te hebben.

'Het is een vrouw’, dat kan hij nu met zekerheid vaststellen. Voor de leeftijdsbepaling bestudeert Reza Gerretsen nu nauwkeurig de mate van ontwikkeling van het skelet. De diepte van de put en de vorm van de rand van het sternale uiteinde van de rib, het schaambeen. De groeischijven die dichtgroeien verraden de skeletontwikkeling. De leeftijd is echter nooit exact te bepalen. De groeischijf van een dijbeen sluit bijvoorbeeld bij jongens op een leeftijd tussen de zestien en twintig jaar. Je hebt dus drie categorieën: is de schijf nog open dan is hij jonger dan twintig jaar, is die sluitende dan is hij tussen zestien en twintig, is de schijf gesloten dan is hij ouder dan zestien jaar. In iedere levensfase is wel iets specifieks te zien aan de ontwikkeling van het skelet. De schedelnaden zijn bijvoorbeeld pas dichtgegroeid als je rond de tachtig bent.

'Zie je het uiteinde van de vierde rib?’ vraagt hij aan de jonge antropologe in opleiding, en hij wijst voorzichtig met zijn hand naar het rafelige puntje. Hij loopt naar zijn werkbank, daar staat een doos met daarin reeksen voorbeelden van losse uiteinden van ribben, allemaal met andere structuren en dieptes, gerangschikt per leeftijdsgroep. Keurig op een rij gestoken in een mooi donkergrijs kunststoffen bedje steken de witte einden naar boven. Hij vergelijkt ze met die van zijn nn'er. Nu kan hij al een indicatie van haar leeftijd geven met een marge van acht jaar. Ook over de etniciteit heeft hij wel een idee door de vorm van de kaak en de schedelkenmerken, maar zoals hij al zei: daar is hij voorzichtig mee. Je weet niet hoe ze eruitzag. Op basis van de lengte van het dijbeen kan hij nu, gecombineerd met het geslacht en de leeftijdsbenadering, een schatting geven van de totale lengte van de vrouw.

'Ik wil de schedel goed in beeld hebben’, zegt hij tegen de technisch fotograaf. Hij wil zeker weten dat het volledig wordt vastgelegd.

EÉN KLEIN BOTJE kan soms al een heel verhaal vertellen. Zo hadden ze een keer alleen het middelste gedeelte van een borstbeen dat was gevonden in een afgebrand huis. Het bot had hij schoongekookt en onder de röntgen gelegd. Het was van een jongeman tussen de achttien en 25 jaar. Het bot had overdwars beschadiging opgelopen, dat zag hij aan een aantal horizontale, wittige strepen, tekenen die wezen op een herstellende botbreuk. Bot maakt in zeven tot tien weken nieuwe kalkcellen aan om een breuk te dichten. Hij wist dus dat vanaf de eerste beschadiging het slachtoffer ten minste nog zeven tot tien weken had geleefd. Verticaal zat een scherprandige beschadiging. Die was niet meer hersteld. Daar had het lichaam geen tijd meer voor gehad. Zijn vindingen bleken overeen te komen met getuigenverklaringen van de buren. Het ging om een huis waar weken was gemarteld. De laatste beschadiging was waarschijnlijk veroorzaakt door een bajonet die vanachter op de man in was gestoken. Daar was hij aan overleden.

Reza Gerretsen kijkt ook altijd naar het tongbeen - een halfrond beentje, dat bestaat uit twee hoorntjes en een lichaam die na verloop van tijd aan elkaar vastgroeien. Bij veertig procent van de mensen die gewurgd zijn of verhangen, is dat gebroken. Maar ook hierbij moet je opletten, de interpretatie ligt genuanceerd. Er kan geweld zijn gebruikt op de hals zonder dat het tongbeen is gebroken, en het kan onderbroken zijn zonder dat geweld op de hals is uitgeoefend.

De beschadigingen op de botten vertellen soms ook veel over het moordwapen. Niet alleen de vorm ervan maar ook minieme sporen die het wapen in het bot heeft achtergelaten kunnen ze analyseren. Hierbij werkt hij altijd samen met de microsporenonderzoeker. Onlangs heeft hij over een aantal van hun bevindingen nog in Forensic Science International gepubliceerd met zijn collega’s van het nfi. Bijvoorbeeld over de moord op een jong iemand die gevonden was in een ondiep graf. De schedel was gebroken. De antropoloog die de leiding had, dacht dat het ging om een geweerschot. Maar in het lab vonden ze daar geen enkel spoor van in het bot, het haar of de huid van het slachtoffer. Wel zagen ze stukjes metaal die diep in het bot waren doorgedrongen. Met behulp van een speciale scan analyseerden ze de samenstelling: chroom, nikkel en ijzer. Later bekende de verdachte dat hij het slachtoffer had vermoord met een fietsslot. De politie vond het slot in een vijver vlakbij de plaats delict. De oppervlaktelaag daarvan bleek exact dezelfde structuur en samenstelling te hebben als de metaaldeeltjes die waren gevonden in de botfracturen. Ook de vorm kwam overeen met het gat in de schedel.

Heel voorzichtig, bijna liefdevol, pakken de sectie-assistent en Gerretsen nu het witte laken met de botten op en leggen het op een tafel met wielen. Alles wat ze hebben, gaat onder het röntgenapparaat. Ook de grijze plastic kist met de rest van de gevonden stukjes. Gerretsen trekt over zijn operatiejas een zware, loden jas aan ter bescherming. Hij zucht, het is warm in de röntgenkamer. Eerst legt de assistent de schedel onder het apparaat. Gerretsen kijkt nieuwsgierig naar het beeldscherm. Aan het begin van een sectie heeft hij een heel scala aan mogelijkheden in zijn hoofd. Dat maakt hij steeds kleiner, hij sluit dingen uit. Hij ziet op de röntgen de ontwikkeling van de tandwortels, de verstandskiezen en laat de assistent een foto maken. Hierna glijdt het apparaat langs de resten van het lichaam - van boven, langs de wervels, naar het linkerbeen en via het rechterbeen weer terug naar boven. Hij zoekt naar aanwijzingen. Een oude botbreuk, een opvallende beschadiging, verdachte schaduwen in botten die wijzen op mespunten of kogelresten, een rare positie van de botten ten opzichte van elkaar. Wellicht vindt hij aanwijzingen die iets zouden kunnen zeggen over de doodsoorzaak. Zo zag hij eens een mespuntje dat in het bot was blijven zitten, dat kwam overeen met een mes uit de keukenla van de dader.

Forensisch denken is een proces. Hij laat op lezingen graag een berenpoot zien en vraagt aan de aanwezigen wat het is. De meesten zeggen dan met zekerheid te weten dat het om een mensenvoet gaat. Die lijkt er inderdaad erg op, maar is het niet; het is een verzameling botten die lijkt op een voet. De les: je moet je waarnemingen van je interpretaties en conclusies scheiden.

Als ze de identiteit van iemand niet vinden, laat Gerretsen in opdracht van de politie soms op basis van de schedel een reconstructie maken. In zijn werkkamer heeft hij boven op een archiefkast een mannenhoofd in grijze klei staan, ze hebben geen idee wie het is. Binnenkort wordt via het tv-programma Opsporing verzocht een oproep gedaan met behulp van dit hoofd. Als daar niets uitkomt, kan zijn dna nog op etnische herkomst worden onderzocht. Een andere optie is om isotopenonderzoek uit te laten voeren. Veel bouwstoffen van wat we eten en drinken worden ingebouwd in onze lichaamsweefsels, zoals tanden en botten. Zo vond een collega laatst een bijzondere verhouding van het element lood in een lichaamsweefsel. Toen wist hij dat het iemand moest zijn die in West-Duistland had geleefd, omdat hier als enige land in Europa gebruik wordt gemaakt van loodtoevoegingen aan benzine met deze bijzondere loodisotopenverhouding.

De röntgen is klaar. De sectie-assistent en Gerretsen leggen het skelet weer op de tafel in de sectiekamer. Ze slaan het laken eroverheen. Voor vandaag houdt Gerretsen ermee op. Morgen gaat hij de botten macereren, schoonkoken, in demiwater - steriel water waar niets meer in zit dat de botten kan vervuilen. Zo worden de botten gedurende een paar dagen in een grote maceratieketel ontdaan van weke delen. Ook gaat hij nog een dna-monster uitnemen en laten onderzoeken. Je weet het nooit. En hij zal tooth cementum annulation uitvoeren om de leeftijd nog preciezer in te schatten. Op het buitenste randje van de wortel van een tand komt ieder jaar één cementlaagje bij. Het zijn de jaarringen van de mens. In de winter is het een donker laagje, in de zomer licht. Dus als je de wortels doorzaagt, kun je de laagjes tellen. Op die manier is de leeftijd op twee, drie jaar nauwkeurig te bepalen. Hij is trots op deze methode. Bij de fbi in Amerika doen ze dit niet eens, weet hij.

Gerretsen geeft mensen hun naam terug. Van een kaal onbekend hoopje botten, alleen achtergelaten destijds ergens in Nederland, wordt zijn nn'er hier op tafel weer iemand. Dat is waarom hij dit vak zo mooi vindt. Hij doet iets belangrijks voor de nabestaanden, maar ook voor het slachtoffer. Hij praat ook wel eens in zichzelf terwijl hij aan het onderzoeken is: 'Hé meisje, we komen al verder, we weten al meer van je. Wat is er nu met je gebeurd?’

Door dagelijks te werken met de dood is Gerretsen zich bewust geworden van de kwetsbaarheid van het lichaam. Hij is zich daardoor onveiliger gaan voelen. Die botten met wat vlees en huid eroverheen, dat is alles wat we hebben. Het lichaam is prachtig, maar ook zo makkelijk kapot te maken. Hoe komen mensen erbij een stuk metaal te pakken en iemand dood te schieten? Reza vraagt het zich nog regelmatig af.

Een week later, terwijl de botten liggen te drogen na het macereren, hoort hij dat het dna in de dna-databank een match heeft opgeleverd. De identiteit van de vrouw is vast komen te staan. Hij weet nu haar naam, haar exacte leeftijd, en hij hoopt binnenkort een foto van haar te krijgen. Nu gaat hij op zoek naar alles wat ze hem verder kan vertellen over de cause and manner of death. Misschien vindt de toxicoloog in het door hem uitgenomen haar of bot of ze vergiftigd is geweest. De schone botten gaat hij nauwkeurig onderzoeken onder een operatiemicroscoop. Wellicht ziet hij kleine tekenen van trauma van een scherp voorwerp op bijvoorbeeld de ribben, onderarmen of vingerkootjes. Of microfracturen in de botten die hij op de röntgen niet zag. Ook die ene bijzonderheid in het schedelbot die hij al met het blote oog had gezien, gaat hij dan verder onderzoeken. Als hij zijn rapport klaar heeft, kan de geïdentificeerde vrouw, met alles wat er van haar over is, in een doodskist naar haar vrienden en familie om te worden gecremeerd of begraven.

Om privacyredenen verwijzen de uitkomsten van het onderzoek niet naar een concrete casus