Post week 1 - 2

Vijanddenken

‘Liberale democratieën [hebben] moeite met vijanddenken’, stelt Casper Thomas in zijn artikel ‘Ieder mens is een strijder’ (De Groene van 18 december). Een paginagrote foto bij zijn artikel maakt duidelijk in wie wij onze vijand moeten zien: Poetin. Waarom in dit ‘dikste kerstnummer ooit’ niet ook al was het maar één artikel met een andere blik op het conflict in Oost-Europa? Met althans enige aandacht voor de Russische belangen in dat gebied, en voor al die provocerende toenaderingspogingen, EU-associatieverdragen en Navo-lidmaatschappen waar het Westen de zaak daar voortdurend mee opstookt? Terwijl iedereen weet dat de betreffende landen hier ook in de verre toekomst niet aan toe zijn? Een nadere beschouwing over de totstandkoming van ons eenzijdige vijandbeeld van Poetin, ik zou zeggen een must voor een nummer over vijanddenken.

ALIED BLOM

Klimaat van onverzoenlijkheid

Is het ‘klimaat van onverzoenlijkheid’ in onze samenleving nu echt wel iets nieuws, zoals Marcel ten Hooven (De Groene van 18 december) suggereert? ‘Sinds het communisme niet meer de gemeenschappelijke vijand is, zoeken we de vijand vooral in ons midden of net buiten de deur’, schrijft hij in navolging van de filosoof Theo de Wit. Ik vind dat een vreemde stelling. Alsof Nederland in het verleden alleen onverzoenlijk was tegen een buitenlandse vijand. Ik kan me herinneren dat tijdens de Koude Oorlog de onverzoenlijkheid jegens Nederlandse communisten en anderen die niet meegingen in de consensus van het Atlantisch bondgenootschap buitengewoon groot was. Zij werden met beroepsverboden en allerlei andere vormen van discriminatie als politieke paria’s opzij gezet. En hoe de meerderheid in Nederland dacht over cultureel afwijkend gedrag van ‘hippies’ werd in 1970 in Amsterdam duidelijk toen mariniers, op suggestie van de grootste krant van Nederland, de Dam ‘schoonveegden’. Het ‘klimaat van onverzoenlijkheid’ tegenover binnenlandse minderheden was in de vorige eeuw minstens zo hard als tegenwoordig. Ik heb niet het idee dat het gemis aan een buitenlandse vijand daar een rol in speelt.

JOS VAN DIJK, Utrecht

Laten we God een tijdje Allah noemen

Marcel ten Hooven en bisschop Tiny Muskens stellen voor (De Groene van 18 december) om als verzoeningsgebaar naar islamieten God een tijdje Allah te noemen. Of moslims dit als zodanig zullen ervaren is echter sterk de vraag. In juni 2014 oordeelde het hooggerechtshof in Maleisië dat het christenen niet is toegestaan om de naam Allah te gebruiken voor hun God. De katholieke kerk in Maleisië was naar de rechter gestapt om een overheidsverbod hierop aan te vechten met het argument dat het eeuwenlang is gebruikt in Maleisische bijbels en andere literatuur. Het gerechtshof oordeelde echter dat het gebruik van Allah in niet-islamitische teksten kan leiden tot verwarring bij moslims. Deze verwarring zou kunnen ‘ontaarden’ in bekering, hetgeen een misdaad is in Maleisië (en niet alleen daar).

JOSEPHINE BERSEE, Hongkong

Slaapwandelaars?

‘De Eerste Wereldoorlog was een oorlog die niet op de agenda stond. Niemand zag hem aankomen en de naties “slaapwandelden” het slagveld op’, aldus de van Christopher Clark geleende intro van Frank Mulders artikel over Dominique Moïsi (De Groene van 18 december). Deze ‘lyrics’ van hedendaagse historici in het eeuwjaar van 1914, irriteren heftiger naarmate de weerlegging uitblijft. Laat mij daarom een poging wagen; mijn voordeel is dat ik oud genoeg ben om ook het vijftigjarig jubileum van 1914 te hebben meegemaakt.

Het toonaangevende boek was toen The Guns of August (1962) van de Amerikaanse historica Barbara Tuchman, een van de zeer groten van de voorbije halve eeuw, thans consequent doodgezwegen door haar jongere vakbroeders en -zusters. Tuchman besteedt de eerste 75 pagina’s van haar studie aan een analyse van de jarenlange oorlogsvoorbereidingen. Strategisch: het Schlieffen Plan, het Franse Plan XVII. Materieel: de vlootopbouw, de modernisering van de artillerie, de uitbreiding van de staande legers, de verlenging van de dienstplicht in Duitsland en Frankrijk tot drie jaren. Diplomatiek: de ‘Einkreisung’ van Duitsland. En mentaal: de Franse rekruut deed als rite voor het afzwaaien een dageraadmars naar een bergtop met uitzicht op het in 1870-71 verloren Alsace-Lorraine – eenmaal te heroveren.

Wanneer de grote oorlog zou beginnen wist niemand. Dat hij komen zou werd door vrijwel niemand betwijfeld en door velen begeerd. In zo’n mijnenveld wordt niet geslaapwandeld. Tuchmans verhaal sloot aan bij de sfeer van de Koude Oorlog, kon gelden als waarschuwing: consequente oorlogsvoorbereiding heeft haar eigen dynamiek. De boodschap van Clark c.s. vervangt historie door een soort wishful thinking die past bij de hedendaagse afwezigheid van geopolitiek engagement. De beroepsuniformiteit bij deze mythevorming past bij een gebrek aan onafhankelijk oordeel – de historicus zou de morele plicht moeten kennen zich te verzetten tegen deze kuddegeest.

KLAAS MAAS, Voorschoten