Post week 1-2

Het schuldengetto

Toen ik het artikel [‘Leven in het schuldengetto’]https://www.groene.nl/artikel/leven-in-het-schuldengetto) (in De Groene van 20 december) las, schoten twee verschillende zaken door mijn hoofd. Allereerst moest ik denken aan het promotieonderzoek dat ik ruim twintig jaar geleden deed naar de armoede en armenzorg in het negentiende-eeuwse Nederland. Daarbij was opvallend hoe hardnekkig de (voor)oordelen waren jegens de minderbedeelden in de samenleving. Ook toen ging men er, net als in de Middeleeuwen, van uit dat armoede in wezen een moreel en individueel probleem was.

J. de Bosch Kemper van wiens hand in 1851 een diepgravende studie over de armoede in ons land verscheen, noemde dan ook als belangrijkste oorzaak daarvan een notoir ‘gebrek aan spaarzaamheid’ die volgens hem in de hand werd gewerkt door een ‘veel te ruimhartige bedeling’. De Algemene Bijstandswet van 1966 mag dan wel een einde hebben gemaakt aan de traditionele armenzorg, de aloude ideeën over de armoede en de armen zijn kennelijk nog springlevend.

Wat me in het buitengewoon informatieve artikel verder opviel, was de verrassende opstelling van Ferdinand Grapperhaus in het debat over de betaalmoraal van Nederland. Zo te lezen veroordeelt hij de discriminatie en stigmatisering van mensen met schulden die vaak geen kant op kunnen. En juist daarom vind ik het zo verbazingwekkend dat deze sociaal bewogen CDA’er als minister van Justitie en Veiligheid deel uitmaakt van een kabinet waarin uitgerekend de VVD de eerste viool speelt. Enfin, mocht Grapperhaus ooit nog eens in gewetensnood komen, zal hij als zoon van een voormalig KVP-politicus ongetwijfeld de weg naar de biechtstoel weten te vinden.

ALBERT KORT, ’s-Heer Hendrikskinderen

Celibaat en biecht

In het themanummer over ‘Schuld en vergeving’ van 20 december staan twee artikelen die, met betrekking tot de rooms-katholieke kerk, aan dit onderwerp gerelateerd zijn: het celibaat in het artikel ‘Het grote gewijde zwijgen’ van Stephan Sanders en de biecht in het artikel ‘In nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti’ van Arthur Eaton. In beide stukken veel aandacht voor schuld en vergeving zonder echter de onderliggende dynamiek uit de doeken te doen.

De schuld wordt, mijns inziens, door de machthebbers gecreëerd en onder voorwaarden vergeven met de bedoeling hun dienaren eronder te houden en ze naar hun pijpen te laten dansen. In dit perspectief moet, lijkt mij, de plicht tot seksuele onthouding bij de priesters en de plicht tot biechten voor de leken gezien worden. Het celibaat is een onhoudbare toestand die tot onvermijdelijke misstappen of/en zelfkwelling leidt, en de plicht tot biechten gaat al bij voorbaat uit van schuld, analoog aan het christelijke dogma dat de mens in zonde geboren is. De gelovigen kunnen om vergiffenis vragen, maar vergeving en het voldoen van de door de kerk opgelegde boetes bieden geen zekerheid voor hun zielenrust en toegang tot de hemel en het paradijs.

Het wordt tijd dat de kerk een theologie ontwikkeld zonder enige notie van macht, zonde, schuld en boete.

W. VOLGER, Waalwijk