Post week 11

Het schoolvak Nederlands

In het artikel over het schoolvak Nederlands (De Groene, 4 maart) stelt Els Stronks, hoogleraar Vroegmoderne Nederlandse letterkunde, dat taalbeheersers en cognitief psychologen schuldig zijn aan de gedaalde scores van Nederlandse leerlingen in het internationale Pisa-onderzoek. De taalbeheersers wisten in de jaren negentig met hun methoden van begrijpend lezen de slag om het nieuwe Studiehuis-curriculum te winnen. Dat ging volgens haar ten koste van de taal- en letterkundigen. ‘Cognitief psychologen kwamen erachter dat goede lezers een bepaalde leesstrategie hebben. Daar is een methode op gebaseerd, maar die blijkt voor begrijpend lezen niet te werken, daar zijn we nu wel achter. Lezen doe je niet door middel van trucjes.’

Ik vind dit vage praat: op welke methode doelt Els Stronks, waaruit blijkt dat die methode niet zou werken, en wie zijn de mensen die daar nu wel achter zijn? Het effect van onderwijs in leesstrategieën is uitgebreid empirisch onderzocht en overwegend positief, zoals blijkt uit het werk van leesspecialist en onderzoeker Cor Aarnoutse. Wat niet wil zeggen dat het de enige effectieve aanpak is; ook dat legt Aarnoutse helder uit.

Het didactisch concept van Els Stronks zelf is verbluffend simpel: ‘We vragen ons voortdurend af wat we leerlingen willen leren. Ik zou zeggen: lees twintig boeken, dan leer je sowieso iets én train je je leesvaardigheid.’ Dat is goed voor de woordenschat, maar met het trainen van leesvaardigheid heeft het niets te maken. Het zal dus niet voldoende zijn om de Pisa-scores omhoog te krijgen, en evenmin om leerlingen het eindexamen Nederlands te laten halen.

HELGE BONSET, vakdidacticus Nederlands, Loenen aan de Vecht

Soldaat of militair?

Ik heb mij, als oud-militair, groen en geel geërgerd aan het artikel ‘5 noodlottige minuten’ in De Groene van 4 maart. Hierin worden door elkaar de woorden ‘militairen’ en ‘soldaten’ gebruikt. Ik neem het de auteurs niet kwalijk dat ze dit doen als leken op militair gebied.

Maar ‘militairen’ is goed, ‘soldaten’ niet. Want soldaat is een rang.

In Nederland heb je de rangen soldaat (huzaar/kanonnier, afhankelijk van het onderdeel waartoe je behoort) 3de, 2de en 1ste klasse.

AB WOUDSTRA,
Luit. ter Zee 1ste klasse b.d.
Opa Locka, Fla., USA

Burgerparticipatie

In De Groene van 27 februari bepleit Chris van der Heijden de terugkeer naar kleine plaatselijke verbanden als reactie op de democratische crisis.

Wij bezochten 1 maart de wedstrijd ritmische gymnastiek georganiseerd door OKK (Oefening Kweekt Kracht) in Dordrecht. Zeventien groepen traden op met naar schatting 800 deelnemers voor zo’n 2500 toeschouwers, voornamelijk familieleden van de deelnemers. De doodsaaie sporthal kwam tot leven door de dansende meiden (en een enkele jongeman). De optredens werden beoordeeld door een deskundige jury (vier vrouwen en één man).

Wat hier gebeurde leek ons een illustratie bij het artikel in De Groene. Gedurende de dag waren er twintig optredens, die allemaal punctueel op de klok verliepen. De spreekster achter de microfoon heette ieder welkom, benoemde de deelnemende verenigingen met hun leiding, introduceerde de jury, dankte de EHBO (laten we die liever maar niet nodig hebben) en de vrijwilligers die dit allemaal mogelijk maakten. Maar stelde ook duidelijk de spelregels vast voor deelnemers en publiek.

Alsof het het loopwerk van een goed geoliede klok betrof, zo precies en vanzelfsprekend traden telkens de groepen aan, voerden met plezier de choreografie van hun oefening uit, marcheerden geordend af. Er werd niet gerookt, er was geen alcohol te bekennen. Na elk optreden werd ook voor de tegenstanders gejuicht en geklapt. Hier vierde een grote saamhorige familie een feest van orde, structuur en gemeenschapszin.

De kleinschalige verbanden waar Van der Heijden voor pleit, bestaan dus. Het zijn zelfvoorzienende organisaties met bestuur, kascommissie, jaarverslagen, website, lesrooster, kantinebeheerders, kostuumvervaardigers: een microkosmos die zonder subsidie draait op de contributie van de leden en op de vrijwillige inzet van doorsnee burgers. Ze staan open voor alle standen en klassen; ze bestaan tien, vijftig tot 135 jaar (OKK). Ze zijn springlevend.

Dit type verbanden vind je in alle sectoren van de cultuur. Ze houden zich niet met de politiek bezig, maar de politiek zou wellicht van deze krachtige netwerken kunnen leren hoe je participatie vormgeeft.

TON DELEMARRE & ADA D’HAMECOURT