Post week 12

Kapitaal en Arbeid

De onderzoeksartikelen over Kapitaal en Arbeid van Mirjam de Rijk (in De Groene van 7 en 28 februari) zijn het lezen zeer waard. Alleen zou ik de sociaal-democraten niet hartstochtelijke omhelzers van de neoliberale koers willen noemen. Ik zie hen eerder als de gevangenen van de steeds totalitairder geworden geldgreep.

In de jaren dertig van de vorige eeuw begint dat al in een voorouderlijke fabriek die, om de concurrentie te weerstaan, geld van buiten moet binnenhalen. Daarmee wordt het bedrijf gedwongen te bezuinigen op alle aardigheden voor de werkers: dertiende maand, gezondheidszorg, huizen, school, sportclub. De macht van banken en aandeelhouders wordt bepalend, de opjaging van de productie neemt toe.

Aandrijver is het systeem van geld-moet-groeien, de dominante productiefactor met steeds meer eisen. Het enigszins sociale, verzorgende kapitalisme (het Rijnlandmodel) wordt al decennialang opgerold door het ruwere Amerikaanse model, de laatste jaren versneld en verhevigd. Uit nood en onmacht en begeleid door allerlei smoezen moesten de sociaal- en christen-democraten erin meegaan. Maar niet van harte.

Sinds de financiële crisis wordt het geldsysteem eindelijk kritischer benaderd. Gelukkig, het werd tijd! Het temmen ervan zal nog veel inspanning en omvorming vereisen. Maar het wordt wél een bevrijdingsoperatie, een opluchting voor de mensen, de planeet en niet in het minst voor de ondernemerswereld zelf.

Willem Hoogendijk, Utrecht

Kunstenaar en oorlogspsychologie

In Zoeken naar Lucebert, een Avro-documentaire uit 2004, noemde Kees Fens de kunstenaar ‘oprecht tot het einde toe’. Na het lezen van de onthullende biografie van Wim Hazeu weten we dat Bert Swaanswijk in 1943 een antisemitische Hitler-aanhanger was en na de oorlog over deze overtuiging steeds heeft gezwegen. De dichter heeft met zijn kunst geantwoord, meent Lucebert-exegeet Jessurun d’Oliveira. Zeker, maar het is de vraag of wij al die tijd wel oog hebben gehad voor de gelaagdheid van de angst in Luceberts beeldentaal.

Herlezing van dit onnavolgbaar unieke werk is daarom meer dan een morele verplichting die we verschuldigd zijn aan ‘de grootste en meest inspirerende dichter ooit’ (Elsbeth Etty in De Groene van 21 februari). Om de artistieke waarde van zijn poëzie te bevestigen zullen we ‘ware’ versregels als die in ‘de verdediging van de provo’s’ ten volle moeten begrijpen: ‘de grootste vijanden van deze tijd zijn: (…) kerels die stelselmatig picasso ’39-’45 uit hun ogen verbannen’. Lucebert verwoordde de autonomie van literaire ethiek ooit zo: ‘een gedicht onttrekt zich vanuit zijn aard aan elke persoonlijke belediging, het is een ding dat goed of slecht gemaakt is, doch dat zich niet, zoals een mens, kan herroepen of zich ergens op beroepen’.

In de discussie over het ‘foute’ oorlogsverleden zijn ongemakkelijke woorden gevallen als ‘schijnheiligheid’, ‘leugen’, ‘verdringing’ en is er verwijtend gewezen naar grote namen. Velen lijken in hun liefde voor Lucebert zelfs blind te zijn geworden voor het verschil tussen zijn artistieke waarde en zijn kunstzinnige invloed. Paul Valéry heeft dit ooit helder verwoord: ‘Wat van kunst geïmiteerd kan worden maakt haar invloed uit, maar haar waarde wordt bepaald door het onnavolgbare. Het imiteerbare van kunst maakt haar alom bekend en vormt een bedreiging, terwijl haar waarde haar juist behoedt. Door haar invloed is ze belangrijk, maar door haar waarde is ze uniek.’

Dit onderscheid maakt de reële betekenis van Luceberts kunst inzichtelijk, zonder dat het ten koste hoeft te gaan van reputaties. Het scherpzinnige betoog dat S. Vestdijk in 1937 hield over de individuele positie en verantwoordelijkheid van de kunstenaar in een tijd van groeiend totalitarisme (‘Kunstenaar en oorlogspsychologie’) heeft niet aan actualiteitswaarde ingeboet.

Honoré Schelfhout, Nijmegen

Lekker in Compostella

‘Ze ziet er best lekker uit voor haar leeftijd (45).’ Toen ik deze zin aantrof in Herman Vuijsje’s artikel over Santiago de Compostella (in De Groene van 22 februari) was mijn verontwaardiging groot. Wat is er mis met deze uitspraak? Dat behoeft op zich weinig uitleg: ze is fundamenteel vrouwonvriendelijk en dehumaniserend. De misogyne verbeelding van de verwelkende vrouw (versus de rijpende man) zit hierin vervat, alsook de eeuwenoude representatie van de vrouw als een fysiek smakelijk (lekker?) of onsmakelijk object.

De uitspraak is geen vorm van vrije meningsuiting, ze is de gangbare mening. Een tijdschrift als De Groene Amsterdammer zou hier dan ook geen platform voor mogen bieden.

Beste Herman Vuijsje, u ziet er ook best nog oké uit, ondanks uw leeftijd en uw beschamende uitspraak.

Irma Emmery, België