Post week 12

Linkse samenwerking

Marcel ten Hooven schrijft over linkse samenwerking (De Groene, 12 maart): ‘Links domineerde begin jaren zeventig het debat, niet alleen doordat de tijdgeest meezat, maar ook dankzij het gezamenlijke verkiezingsprogramma van PvdA, PPR en D66: Keerpunt ’72. Een kernpunt daarin was dat overmatige ongelijkheid een splijtende uitwerking op de samenleving heeft. (…) Reuze actueel, eigenlijk, dat Keerpunt ’72. Het is tijd voor een Keerpunt ’21.’

Vooralsnog overheerst bij PvdA en GroenLinks echter scepsis over samenwerking met de SP, de partij die nog het meest ageert tegen ‘overmatige ongelijkheid’. En anders dan in 1972 wordt de PvdA nu geleid door iemand die vijf jaar lang diende in een kabinet met de VVD, dat bestrijding van ongelijkheid weinig prioriteit gaf. Er kan veel veranderen in een jaar, maar vooralsnog zien we hier eerder een doorgaande weg dan een keerpunt.

J. LAROS

Adorno

De flessenpost van Raymond van den Boogaard over Adorno (De Groene, 4 maart) stemt andermaal dankbaar, nadat hij in augustus 2019 al aandacht schonk aan een heruitgave van een lezing uit 1967 in Wenen en zelfs kon verwijzen naar een geluidsopname daarvan.

Een kanttekening bij de vermeende vriendschap tussen Adorno en Beckett. In Becketts werk zag de bewonderende Adorno een authentiek verzet tegen de teleurstellende naoorlogse verwerking van de nazicatastrofe. De Ierse schrijver noemde ‘Teddie’ echter steevast en uiterst afstandelijk: ‘de professor’. Hij vond Adorno maar irritant volhardend in zijn opvatting dat Hamm (in Fin de partie) afgeleid zou zijn van Hamlet en Clov een misvorming zou zijn van clown. Beckett fluisterde zijn biograaf James Knowlson daarop zelfs in het Duits in het oor: ‘Dat is de vooruitgang van de wetenschap, dat professoren kunnen doorgaan met hun fouten.’ (Frankfurt, 1961)

Naast ‘de hartstochtelijke ode’ van Stefan Hertmans (Het putje van Milete) mogen Cyrille Offermans (Macht als trauma) en Willem Brakman (De macht van het nee zeggen) niet ontbreken waar het de essayistische reflectie op Adorno en de moderne kunst betreft. Als Willem Brakman opmerkt dat de waarheid zich daar pleegt op te houden waar men haar in een al te rationalistisch tijdsgewricht niet wil, namelijk zich tonend in de kunst, dan is het gedachtegoed van Adorno niet ver: ‘Das Ganze ist das Unwahre.’ (Minima moralia)

HONORÉ SCHELFHOUT, Nijmegen

Het schoolvak Nederlands

Hoofdschuddend heb ik het artikel over het schoolvak Nederlands (De Groene, 4 maart) gelezen. Vwo’ers vinden dat het vak geen universitair niveau heeft, ze zetten Nederlands intuïtief in het rijtje gymnastiek en maatschappijleer, pretvakken dus. Een pretvak!

Onderwijsgevend Nederland zou zich de ogen uit de kop moeten schamen. Toetsing van het beheersen van je moedertaal wordt door veel vwo’ers niet gezien als iets waar je beducht voor moet zijn, maar als een pretvak, ‘een eitje’ dus, als iets waar ze achter je rug om lachen. Als het niet zo absurd was, zou je ervan in de lach schieten. Met grote regelmaat lees je paniekstukken over het gevaar van ‘ontlezing’, over dat jongeren geen behoorlijk stuk meer kunnen schrijven, dat ze niet meer kritisch een tekst kunnen lezen en niet meer kritisch kunnen luisteren. Zou de consequentie dan niet moeten zijn dat de eindexamens van bijvoorbeeld havo niet een aftreksel van een vwo-examen zijn, maar fundamenteel van een ander niveau zijn? En dat daarom dus de leerboeken voor respectievelijk havo en vwo niet alleen maar een verdunning van elkaar zijn, maar echt van een heel verschillend niveau?

We moeten met zijn allen durven definiëren, of op zijn minst durven omschrijven, wat we bedoelen met vwo-niveau. Vraag dat in de eerste plaats aan de doelgroep van de vwo’er. Dat is dus de universitair docent en/of de hoogleraar en niet zijn eigen leraar. Rijvaardigheid laat je ook niet toetsen door iemand die geen ervaren chauffeur is.

Alle andere problemen (te grote klassen bijvoorbeeld, of het objectiviteitsprobleem bij het corrigeren van een door de leerling geproduceerde tekst) zijn ook wezenlijk, maar ze komen pas na de kernvraag die hierboven is gesteld: wat bedoel je met ‘niveau’? Hoe kan ik dat niveau herkennen? Wat zijn de minimale eisen om aan dat niveau te mogen deelnemen? Wanneer krijg je een onvoldoende op dat niveau? Als dat duidelijk is gemaakt, zal ook, of zal juist, de ambitieuze leerling(e) het nooit meer hebben over pretvak.

MARTIN DE KONING, oud-docent Nederlands