Arm en zielig

Links als kampioen van de armen, daarover gaat het artikel van Marcel ten Hooven in De Groene van 25 maart. Links als een beweging die stoelt op ‘verontwaardiging over de armoede en de ongelijkheid’. Natuurlijk moet Nederland beter zorgen voor zijn burgers in de bijstand, voor de daklozen en de arbeidsongeschikten. Maar als ze het daarbij laat, is links in de ogen van velen, om het wat minder tactvol te zeggen, de beweging van de kneuzen. Dat zou fataal zijn, want werkelijke maatschappelijke en politieke macht wordt dan onmogelijk.

Links moet in de eerste plaats opkomen voor degenen die hard werken voor de kost, maar geen redelijk loon verdienen. (Velen kunnen slechts met toeslagen van de overheid overleven.) De lasser, de trucker, de monteur, de administratief medewerker, de systeembeheerder, de winkelbediende, de journalist, de schoonmaker: hun arbeidskracht wordt door anderen geëxploiteerd en die houden de lonen laag. Denk ook aan de leraar, de politieagent, de zorgmedewerker: ze verdienen te weinig omdat de overheid onvoldoende belasting int om fatsoenlijke lonen te kunnen betalen. Maar ook veel kleine zelfstandigen hebben een veel te karig inkomen, slachtoffer als ze zijn van de concurrentie van het grote bedrijfsleven en van de macht van de banken.

Al deze burgers beschouwen zichzelf absoluut niet als ‘arm’ of ‘zielig’. Ze zullen zich niet aangetrokken voelen door een beweging die zich eenzijdig identificeert met de ‘mensen in het donker’ (een door Ten Hooven geciteerde uitdrukking van Joop den Uyl), met degenen die niet kunnen meekomen. Wil de linkse beweging tot machtsuitoefening komen, dan heeft ze een stevige sociale basis nodig. De weerloze ‘onderkant’ kan die basis niet verschaffen, maar de werknemers en de kleine zelfstandigen kunnen dat wél. (Overigens kan alleen een krachtig links die ‘onderkant’ beschermen.)

DAAN BROUWER, Amsterdam

Onnodige bagatellisering

In zijn recensie van de film De droevige kampioen (in De Groene van 18 maart) schrijft Walter van der Kooi: ‘Voor een zwart gezin in een arbeiderswijk hadden ze het niet slecht. Vader had een vaste baan als stuwadoor en kon zich een tweedehands auto veroorloven. De kinderen waren dol op hem. Een gezinstragedie veranderde alles. Jaloerse vader stak moeder, fervent uitgaanstype, neer en pleegde voor de ogen van de kinderen zelfmoord.’

Het staat helaas in een lange traditie om moorden zoals deze in de media een ‘gezinstragedie’ te noemen. Al minstens in de jaren zeventig is deze traditie echter ontleed als niet alleen eufemistisch maar ook misleidend, want het grotere plaatje – de overweldigende statistieken van geweld tegen vrouwen en feminicides, vooral door echtgenoten en vaders – wordt structureel ontkend, elk geval wordt opnieuw als tragische uniciteit afgeschilderd.

En dit in dezelfde week dat Turkije uit het Istanbul-akkoord stapt. Ik ben als enthousiaste en trouwe lezer beter gewend van De Groene Amsterdammer.

Mee te gaan in zo’n narratief is al teleurstellend, maar de auteur gaat nog een stapje verder als hij de moeder karakteriseert als een ‘fervent uitgaanstype’ en de vader met ‘vaste baan’, ‘hij kon zich (…) veroorloven’, ‘de kinderen waren dol op hem’ en ‘jaloers’, alsof dat excuses zouden kunnen zijn. Ik kan over de toenmalige gezinssituatie niet oordelen, net als de auteur trouwens, maar moord blijft moord.

Met enkele woordjes een gevaarlijke en volstrekt onnodige bagatellisering dus, die wij deze dagen net zo weinig erbij kunnen hebben als – nou ooit.

JUDITH BERENDSEN, Amsterdam (tevens fervent uitgaanstype, dus we zien maar hoe het afloopt)