Post week 14

Raoul Burnet

Ik was de laatste vijf jaar van zijn leven de partner van Roel Burnet en ik herken hem niet in het beeld dat Stephan Sanders van hem schetst (in De Groene van 9 maart). Ik wil daarom wat aanvullende opmerkingen maken.

Roel wordt bijvoorbeeld neergezet als een agressieve drugsverslaafde. Nu was hij zeker geen heilige, elk mens heeft zijn fouten en gebreken, maar het is een fabeltje dat hij ‘muzikanten in elkaar trimde’, zoals zijn zoon Ramon in het stuk beweert. Hij was op het eind van zijn leven sowieso te ziek om wie dan ook in elkaar te slaan.

Ook moet ik tegenspreken dat Roel niet graag met Solat zou hebben meegespeeld, omdat deze band blanke popmuziek speelde. De hartverscheurende brede lach in video-opnamen was wel degelijk echt en hij speelde de muziek met veel plezier.

Tot slot, zijn begrafenis. Er wordt gesteld dat er ‘geen geld was voor graf of steen’ en dat een benefietconcert uitkomst bood. Hij is echter begraven in een privé-graf en van de opbrengsten van het benefietconcert dat op verzoek van vrienden en muzikanten werd gehouden, hebben we een mooi grafmonument laten maken.

MARIJKE CORNELISSEN

Ewald Engelen (2)

Geweldig dat Ewald Engelen in staat is om in enkele pagina’s (in De Groene van 23 maart) de rot die in onze westerse democratie (als die tenminste nog democratie genoemd kan worden) is opgetreden haarfijn kan analyseren. Hij geeft een kristalhelder beeld van de oorzaak van die nog steeds voortwoekerende rot en rekent ongenadig af met een stoet van arrogante, kortzichtige en nietsontziende lieden die door gebrek aan gewicht naar boven zijn gevallen en al decennia aan de macht zijn. Dat establishment is overtuigd van het eigen gelijk en voelt zich mijlenver boven het ‘vulgus’ verheven. Elke goed beargumenteerde kritiek tegen hun ‘beleid’ wordt met minachting of hoon terzijde geschoven of – erger nog – afgedaan als populisme en/of racisme. De vergelijking van dat establishment met de Zonnekoning is door Engelen dan ook goed getroffen. En iedereen weet welk lot een dergelijk regime op den duur beschoren is. Jammer alleen dat de ‘kleine’ man ondertussen met een marginaal bestaan genoegen moet nemen. En dat aantal is helaas sterk groeiend. Alsook de bitterheid en de frustratie vanwege de uitzichtloosheid van hun karige bestaan. Hoewel het establishment en zijn slippendragers kosten noch moeite sparen om hen te doen geloven dat ze dankbaar moeten zijn om in zo’n welvarend land te mogen leven. En niet zo moeten zeuren.

J.A. SLAGER

Koerselman

In het interview met de psychiater Frans Koerselman (in De Groene van 23 maart) vind ik een perspectief terug dat schaars is geworden in het landschap van ons publieke discours. Een perspectief dat relativeert, maar ook duiding geeft aan al die ikkerigheid, in wat we maar hardnekkig onze samenleving blijven noemen. Die hele ikkerigheid op zich is al iets om boos van te worden. Het heeft me vanaf het eerste moment dat ik het gewaar werd (in de jaren negentig, waarin plotseling iedereen exorbitant geld ging scoren; want met verdienen had het meestal weinig te doen), tegengestaan. Het verlies van verbinding met anderen, de ontkenning van onze natuur; dat we sociale dieren zijn, al zijn er ook exemplaren die je daaraan doen twijfelen.

De duiding van Koerselman, het wegvallen van verticale verbanden, lijkt mij een heel logische verklaring. De boosheid van het tekortgedane ik, dat zonder wij allicht te kort moet komen. Het is boosheid zonder verband, zonder verticaal verband. Misschien is boosheid an sich ook wel de minst verbindende emotie. Het stoot alleen maar af.

Het verband dat Koerselman legt met de emotionele claimcultuur over slavernij en ook die over het recht op zelfverkozen levenseinde is voedsel voor constructiever gedachten. Beide zijn onderwerpen van polemiek waarin je voelt dat er iets niet klopt, dat er onderhuids een heel andere strijd woedt, die niet bij naam genoemd kan worden. De gedachtegang van Koerselman lees ik als een poging daartoe. Als we geen groep meer zijn, omdat onze verticale banden uit hun functie zijn ontzet, dan is er ook geen groepsverband meer om pech en tegenslag mee te dragen. Dan komt alles op individuen aan, die nu kunstmatig een groep zoeken om dat ten onrechte aangedane leed (het leed van geïndividualiseerd te zijn) toch als collectief af te kunnen weren. Voilá: toch nog een wij, bij gratie van een zij.

LIJN SCHUTTE