Post week 14

Geert Hofstede

Coen van de Ven heeft zeker gelijk: juist in Nederland is er systematisch ‘langs Hofstede heen gekeken’ (in De Groene van 19 maart). Wij in Nederland houden niet zo van universele denkers. We hebben ze ook nauwelijks. Dus iemand als Hofstede (thuis in geschiedenis, filosofie, psychologie, statistiek, om maar wat te noemen) wekte wantrouwen. Ik zou dat, ik heb er jarenlang les over gegeven, rustig ‘kleine machtsafstand’ durven noemen, een van de dimensies van Hofstede. Als ik die vier dimensies mijn studenten simpel uitlegde (‘Nederlanders houden niet erg van opscheppen, houden niet van machogedrag, durven te improviseren en doen dingen liever zelf dan in een groep’) dan knikten Nederlandse studenten vol herkenning. Dat Hofstede niet erg goed lag in universitaire kringen snapten ze, na enige uitleg, ook wel: je eigen specialisme overschrijden, de ‘grote greep’ beheersen, bewonderen wij. Maar dan bij anderen. De Israëlische historicus Harari is er een actueel voorbeeld van; zijn boeken zijn schoolvoorbeelden van de grote greep en zijn bij miljoenen verkocht. Zou hij als Nederlander ook zo’n klapper hebben gemaakt? Ik vraag het me af.

Het verbaast me achteraf niet dat Hofstede bij zakenmensen wél aansloeg: die maken de internationale cultuurbotsingen dagelijks aan den lijve mee. Wel vind ik het vreemd dat zijn denkkader hem wereldfaam heeft bezorgd, maar dat het in Nederland nooit algemeen goed is geworden. Ik vond zijn boek Allemaal andersdenkenden persoonlijk een eyeopener van hetzelfde verrassingsniveau als die van Harari. Natuurlijk, het is geen roman, maar het is wel een non-fictieboek dat je enorm veel leert over oorzaken en achtergronden van iets waar we middenin zitten: een globalisering waar velen stiknerveus van worden. Hofstede leert je in ieder geval zien dat aan heel verschillende reacties oude ‘wetten’ ten grondslag liggen. Mij gaf dat indertijd al een geruststellend gevoel. Hoe zeg je dat? Verontrustend op ’t eerste gezicht, maar op ’t tweede gezicht business as usual.

MARTIN DE KONING

Thuisonderwijs

Dirk Bezemer schrijft in zijn column in De Groene van 25 maart: ‘Piketty kon zonder enig effect dikke boeken schrijven over ongelijkheid, maar toen er massaal inkomen wegviel kwamen we direct in actie.’ Dat is inderdaad hoopgevend, maar juich niet te vroeg. Er is meer dan alleen inkomensongelijkheid: zo is de vermogensongelijkheid in Nederland groter en het is onduidelijk waarom daar nu verandering in zou komen. Daarnaast is er iets wat politici graag ‘kansenongelijkheid’ noemen. Veel scholieren zitten wekenlang (misschien maanden) thuis bij hun ouders of oppas. Als deze vloeiend Nederlands spreken en hun graag iets leren, is er weinig aan de hand. Scholieren met laaggeletterde ouders zullen echter weinig leren en een grotere achterstand opbouwen ten opzichte van hun leeftijdsgenoten. Ik vraag mij sterk af of er uiteindelijk ook tijd en middelen zullen worden vrijgemaakt om dergelijke effecten te compenseren, of om een poging daartoe te doen.

J. LAROS

Spitinomie

Prima artikel van Jaap Tielbeke over onze huidige existentiële crisis en de rol van onze economie daarin. Het merkwaardige met onze economie is dat het over concurrentie gaat, maar als vak zelf geen enkele concurrentie heeft. Het woord ‘economie’ komt van het Griekse ‘oikonomoi’, dat ‘wetten van het huis’ betekent. Waar we nu meer dan ooit behoefte aan hebben is ‘spitinomoi’, spitinomie dus, dat betekent: ‘wetten van het thuis’. Van ons thuis. Ons enige thuis. Onze aarde. Daar gaat het over ‘dichtbij’, ‘relatie’ en ‘continuïteit’. Zullen we ons daar eens op gaan richten? Ook financieel?

HANS VAN DER SCHAAF