Lucebert

Uitstekend hoe Graa Boomsma (in De Groene van 21 maart) op basis van historisch materiaal het beeld van Lucebert als dichter met een duister verleden nuanceert. Hij voegt er een eigen interpretatie aan toe: Luceberts poëzie zou aan het ‘niets’, respectievelijk ‘leegte’ of een ‘vormend vacuüm’ zijn ontsprongen, zoals ook het werk van Bert Schierbeek (overigens niet de enige uit het verzet afkomstige Vijftiger; Jan Elburg zat bij het gewapend verzet, zie zijn biografie door Jan van der Vegt, De man met de drietand).

Het is al langer bekend dat Lucebert voor de beelden in zijn poëzie te rade ging bij systemen die hij afwees, zie de studies Met de gnostische lamp (1978) van mijn vader, of die van Anja de Feijter over de invloed van de joodse mystiek op Luceberts debuut (1994). Lucebert had iets te overwinnen: niet het niets, maar zijn antipode die vanuit de hemel in hem neerd(w)aalde, als een ‘gevallen engel’ of een ‘norse neger’. Tegenover deze dualistische systemen stelde hij een radicaal antidualisme: een ruimte van het volledige leven die alles bevat – het mooie en het lelijke, het lichte en het donkere, het goede en het kwade, hemel en hel. ‘Er is alles in de wereld’.

Het is niet moeilijk om Luceberts antisemitische bluftaal in die vroege brieven af te wijzen. Maar de vraag waar het om draait, is of zijn poëzie daardoor onherroepelijk is verpest, of dat ze door verdieping in haar historische en poëticale ontstaansgeschiedenis kan worden gered. In nY (nr. 63, mei 2018) heb ik betoogd dat Lucebert zijn geheim nodig had om de strijd met zijn demonen voort te kunnen zetten – niet uit schuldgevoel om zijn onbezonnen flirt, maar omdat hij uit eigen ervaring wist dat er geen verleidelijker ideologie bestaat dan het fascisme: deze begoocheling die ons laat aanbidden wat ons overheerst, en die ons ten slotte tot zelfvernietiging aanzet. Welke zekerheid had hij, eenmaal tot inzicht gekomen, dat hij voortaan van dit soort aanvechtingen gevrijwaard zou blijven? Dat uitgerekend hij een ‘zuivere schim in een vervuilde schepping’ zou zijn? Dan juist zou hij in de val van het fascisme zijn gelopen… Hij moest een model van het fascisme in zichzelf als het ware op kweek houden, om er in zijn poëzie de strijd mee aan te kunnen binden.

Wie zich hierin principieel opstelt, verlaat eigenlijk de literatuur en het leven en maakt zich schuldig aan het dualisme dat Lucebert bestreed, een strijd waarvan zijn poëzie een onvergetelijke getuigenis aflegt.

RUTGER H. CORNETS DE GROOT

Lucebert (2)

Graa Boomsma brengt een interessante nuancering aan in de oorlogsbiografie van Bertus Swaanswijk. Het heeft echter geen zin de nazi-gezinde jeugdvriendin van de dichter in spe een kopje kleiner te maken, om daarmee de geschonden reputatie van Lucebert te herstellen. Dat Swaanswijk door deze vrouw tot het cultiveren van zijn Hitler-sympathieën zou zijn gekomen, zou immers eerder een bewijs voor karakterzwakte zijn. Niet vergeten mag worden dat de levenslange stilte rond het zwarte oorlogsverleden toch echt door de dichter zelf is geregisseerd. Belangrijker nog wellicht is dat een naoorlogse generatie in blinde bewondering voor dit dubbeltalent ooit in Lucebert een politiek kompas gevonden meende te hebben. Na driekwart eeuw wordt het daarom hoog tijd de grootse poëzie van Lucebert in dit nieuwe licht te gaan herlezen en vooral zijn Nachleben te gaan herschrijven. Want zoals Adorno ooit stelde: ‘Es gibt kein richtiges Leben im falschen.’

HONORÉ SCHELFHOUT, Nijmegen