Post week 16

Kafka

Wat jammer toch dat Xandra Schutte in haar artikel over Kafka en de bureaucratie (De Groene Amsterdammer van 26 maart) het aloude cliché heeft gevolgd. Al jaren wordt de arme man afgeschilderd als de schrijver die de bureaucratie zo onheilspellend heeft geschilderd. Hij zou dit onder meer hebben kunnen doen op basis van zijn eigen ervaring als werknemer van een Oostenrijks instituut voor, zeg maar, arbowetgeving.

Tweemaal onjuist. Ten eerste suggereert Schutte, zich baserend op allerlei Kafka-uitleggers, dat Kafka met Das Schloss bewust de bureaucratie aan de kaak wilde stellen: ‘Kafka verbeeldde…’, ‘Kafka wist voelbaar te maken…’ – alsof Kafka bewust deze betekenissen erin heeft gelegd. Niets is minder waar. Kafka was geen rationeel construerende schrijver, zoals bijvoorbeeld Mulisch en ook Jan Cremer, met grote planborden op de muur. Zijn fictie ontstond met name in zijn halfslaap tijdens middagdutjes op de sofa. Van hemzelf bestaan er geen expliciete interpretaties; het enige is een aantal onzekere associatieve gedachten achteraf van Das Urteil, en hij bekende ergens dat hij Das Schloss schreef ‘om het geschreven worden’.

Als je zijn dagboek en brieven goed leest zul je ontdekken dat zijn drijfveer tot schrijven een puur persoonlijke was. Pas je dat toe op zijn fictionele werk, dan komt het er kort gezegd op neer dat hij een individu (hijzelf) ten tonele voert dat graag volledig zijn rol in de mensengemeenschap wil vervullen, maar helaas daartoe niet in staat is omdat hij de sociale codes niet (voldoende) kent. Aldus gedoemd om een randfiguur te zijn en te blijven doet hij toch zijn best en spéélt daarom de succesvolle burger, hij speelt theater en mislukt uiteindelijk.

Daarom komt de man ‘Vor dem Gesetz’ nooit verder dan de poort: er is een plaats in de samenleving voor hem gereserveerd, maar hij zal die nooit innemen. Daarom wordt Josef K. in Der Process (Kafka’s eigen spelling, wij kiezen een z – red.) geëxecuteerd, daarom wordt K. in Das Schloss ook op zijn sterfbed niet volledig in de dorpsgemeenschap opgenomen, wordt hij hooguit ‘gedoogd’. Daarom ook is K. landmeter: hij is de opmeter van de weg naar zijn plek in de gemeenschap. Of, beter: doet stappen in de richting van zijn doel, maar bereikt dat nooit (ook een bekend thema in Kafka’s werk).

Ten tweede bezat het genoemde arbo-instituut ongetwijfeld bureaucratische trekken, maar het was nog relatief jong, reden waarom Kafka tot op zekere hoogte een pioniersrol moest vervullen. Hij ging regelmatig op dienstreis om tegenstribbelende werkgevers – zij waren zijn klanten – te overtuigen van het belang van de arbowetgeving, voor henzelf en natuurlijk voor hun werknemers. Bij rechtszaken koos hij vaak stiekem partij voor die werknemers. Verder moest hij bij aangesloten werkgevers controleren of ze zich wel aan de regels hielden. Hij deed dit werk in feite met veel betrokkenheid, de getuigenissen van biografen als Brod (niet de beste) en Pawel zijn dan ook sterk gekleurd. Wel is het zo dat zijn verzekeringswerk vaak botste met zijn schrijfdrang, wat existentiële problemen opriep.

Minder relevant misschien, maar toch vermeldenswaard is het feit dat Kafka zich zelden expliciet over de (Habsburgse) bureaucratie heeft uitgelaten in zijn brieven en dagboek. In een brief aan Brod van 1921 vraagt hij naar de eventuele ‘bürokratischer Zwang’ in diens kantoor, het jaar erop klaagt hij over de bureaucratie rond veranderingen in de paspoortuitgifte. C’est tout.

Niels Bokhove, voorzitter Nederlandse Franz Kafka-Kring