Post week 17

Godsdienst

Met stijgende onvrede heb ik kennisgenomen van ‘Godsdienst is niet dom’ van Yvonne Zonderop (De Groene, 12 april). Ik zal de vier belangrijkste punten benoemen. Allereerst doet de auteur allerlei uitspraken zonder verwijzing naar bronnen, en als ze het een keer wel doet – bijvoorbeeld als ze de politicoloog Larry Siedendorp aanhaalt die beweert dat de notie ‘de waarde van het individu’ op het conto van het christendom geschreven moet worden – verzuimt ze te melden dat de bron zeer veel kritiek ondervindt. Daarnaast gebruikt ze de concepten religie, godsdienst en spiritualiteit op betwistbare gronden door elkaar, terwijl een veel bruikbaarder concept als levensbeschouwing buiten beeld blijft. Ten derde noem ik historische fouten, alsof bijvoorbeeld Nederland tot 1848 geen dominante, politieke staatskerk zou hebben gehad.

Tot slot gaat ze volstrekt voorbij aan de bevrijdende strijd die seculiere mensen hebben moeten voeren – zie het boek Vrijdenken & humanisme in Nederland – om een moraal te ontwikkelen zonder christelijke wortels.

BERT GASENBEEK

Landbouw versus natuur

In het artikel ‘De akker of het wilde groen’ van Hidde Boersma (De Groene, 12 april) wordt de suggestie gewekt dat Nederland voor een keuze staat. Een keuze tussen ‘scheiden of verweven’, een keuze tussen intensieve landbouw op zo min mogelijk grond of het samengaan van landbouw en natuur. Maar volgens mij is Nederland veel te klein voor zo’n keuze. De verzuring van De Peel legt een verzuurde lucht boven heel Nederland. Zoals de sterfte van insecten al duidelijk maakt, houdt de vervuiling zich niet aan grenzen van ‘scheiden’.

MARGO RENS

Vervuiling platteland

In het artikel ‘De boer broeit voort’ (De Groene, 5 april) wordt terecht aan de kaak gesteld dat gemeentebesturen geen noemenswaardige drempels opwerpen tegen nieuwe megastallen. Overigens evenmin tegen de uitbreiding van fabrieken en infrastructuren die deze groeiende agrarische industrie moeten faciliteren.

De observatie ‘Politici van vvd, cda en lokale partijen kiezen vaak de kant van de industriële boeren’ vraagt om een nuance. Niet alle lokale partijen in plattelandsgemeenten steunen de agrarische industrie. En zo ja, dan toch vaak ietsje milder dan cda en vvd, met een tikkeltje meer oog voor de kleinere boeren en middenstanders (en al die andere inwoners). Helaas worden inderdaad veel plattelandsgemeenten gedomineerd door cda en vvd. In Bronckhorst, de gemeente waarin ik woon, hadden deze partijen in 2005 een comfortabele meerderheid met 17 van de 25 zetels. Nu zijn dat er 11. De gezagsgetrouwe steun van (boerenpartijen) CU en sgp volstaat dan niet meer. De traditionele colleges hebben dus vaker bijwagentjes nodig voor een meerderheid.

In mijn Bronckhorst was dat bijwagentje de afgelopen vier jaar de pvda. Elders is dat d66 of een lokale partij. Als offer voor hun deelname in colleges plegen deze bijwagens hun bezwaren tegen megastallen en andere industriële projecten in te leveren. Zij het vaak met tegenzin.

De formulering in het stuk had dus moeten zijn: colleges die worden gedomineerd door vvd en cda, aangevuld met andere bestuurspartijen als pvda, d66, dan wel lokale partijen of ChristenUnie en sgp, kiezen vaak de kant van de industriële boeren.

AUGUST HANS DEN BOEF, Vorden