Post week 17

Bloed en lederhosen

Terecht dat in Marijn Kruks artikel ‘We zijn voor vrijheid, maar wel voor ónze vrijheid’ (in De Groene van 18 april) uitgebreid aandacht wordt besteed aan de macht van extreem-rechts in Oostenrijk, een land dat in de meeste beschouwingen over het populisme niet vaak op de voorgrond treedt. Duidelijk is dat het etno-nationalisme (een eufemisme voor nationaal-socialisme?) in Oostenrijk niet alleen sterke historische wortels heeft, maar dat vele Oostenrijkers hun duistere verleden nooit onder ogen hebben willen zien.

Toen ik het indringende relaas over de invloed van de Burschenschaften en de FPÖ las, moest ik denken aan Karl Lueger, die vanaf 1897 tot 1910 burgemeester van Wenen was. Voor hem gingen socialisme en antisemitisme hand in hand. In zekere zin kunnen we hem zien als een voorloper van reactionaire leiders als Dollfuss en Schuschnigg die Oostenrijk in de jaren dertig kende. Lueger deed er alles aan om de komst van joden en vele niet-Duitssprekende minderheden uit het voormalige Oostenrijk-Hongarije naar Wenen te voorkomen en zijn stedelijk sociaal beleid was slechts bedoeld voor de ‘eigen’ bevolking. Zo liet hij scholen en ziekenhuizen bouwen, richtte een stedelijk gas-, water- en elektriciteitsbedrijf op en voorzag grote delen van de stad van waterleiding. Ook wat betreft de organisatie van het openbaar vervoer, sociale woningbouw en stadsrenovatie verdiende hij zijn sporen. Vanwege zijn ongekende populariteit onder de ‘gewone’ man – dat wil zeggen de middenstander die bang was voor de gevaren die de moderne tijd met zich meebracht – kreeg hij in het land al snel de bijnaam ‘der schöne Karl’.

Kortom, al met al is er in het hedendaagse Oostenrijk weinig nieuws onder de zon. Gezien de aantrekkingskracht van de FPÖ en de ‘salonfähigkeit’ van het fascisme verbaast het me dan ook niet dat in Wenen nog talloze aan Lueger gewijde standbeelden en monumenten te zien zijn.

ALBERT KORT, ’s-Heer Hendrikskinderen