Post week 18

Bewariërs

Het artikel van Herman Vuijsje over ‘De bewariërs van Chaam’ (in De Groene van 27 april) kent helaas vele pendanten. In 1942 kregen mijn ouders van hun joodse buren een twaalfdelige verzilverde (of zilveren?) bestekcassette in bewaring, voor tot na de oorlog. De joodse buren gingen op transport en er is nooit meer iets van hen vernomen. Geen enkele nabestaande. Mijn vader heeft na de bevrijding nog vele malen geprobeerd iets over zijn buren te weten te komen, maar ving overal bot. Het werd hem zelfs ontraden. ‘Wat gaat het je aan, vergeet het, dat is geweest.’

De cassette heeft tot 1967 in het huis van mijn ouders op zolder gestaan. Toen trouwde mijn oudste broer. Hij kreeg de cassette als huwelijksgeschenk. Mijn schoonzuster, niet gespeend van enig huishoudelijk inzicht (en met een hartgrondige hekel aan poetsen) stopte de messen, vorken en lepels, plus de taartschep, theelepeltjes, gebaksvorkjes, de viscouverts, soep- en jusopscheplepels, in de vaatwasser om de zwarte aanslag eraf te krijgen. Het resultaat was desastreus: wit uitgeslagen, zwaar beschadigd, aangetast. Dus ging de cassette bij het grofvuil en nam ze roestvrijstaal, wel zo praktisch. Hoe bedoelt u, enig historisch besef?

ARTHUR OPPERMAN, Heerhugowaard

Emoties in het strafrecht (2)

Met grote interesse volg ik in De Groene de artikelen uit de serie ‘De emotionalisering van het strafrecht’. In tegenstelling tot de visie van Folkert Jensma uit het eerste deel, wordt in een lezersreactie verdedigd dat vergelding doorslaggevend is ter legitimatie van strafoplegging (De Groene van 27 april). Graag wil ik erop wijzen dat hoewel straf en vergelding onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, dit niet betekent dat vergelding op gelijke voet staat met andere strafdoelen zoals afschrikking, resocialisatie of de erkenning van het leed bij nabestaanden. Door te straffen vindt immers automatisch vergelding plaats. Het is de straf zelf die vergeldend van aard is: straffen is vergelden. Vergelding is daarmee niet een doel dat met de straf kan worden nagestreefd.

Door proportioneel en weloverwogen recht te spreken kunnen wraakgevoelens in de samenleving worden gekanaliseerd. Daarmee wordt een legitiem doel gediend. Maar door straf te legitimeren met het ‘strafdoel’ vergelding, ontstaat een cirkelredenering waardoor de strafrechtsketen inderdaad ongehinderd en machinaal kan blijven draaien. Zeer terecht constateert Jensma dus dat het strafrecht geen ‘vergeldingsmachine’ is.

IVO LOOTS, Amersfoort