Post week 18

Vuile handen in Brazilië

Ik werd gegrepen door het artikel over hoe Nederland helpt bij de duurzame sojateelt in Brazilië _(De Groene,_ 26 april). De door Brazilië en Nederland met de mond beleden duurzaamheid blijkt fictie. Het gaat om een infrastructureel project dat stinkt. Het lijkt erop dat Nederland zijn hand in een Braziliaans wespennest heeft gestoken. De pijnstillende zalf bestaat uit de verbale witwasser ‘duurzaamheid’. Met een klein beetje voorstellingsvermogen hadden zowel Buitenlandse Zaken als het Nederlandse bedrijfsleven vooraf kunnen bedenken aan welke afschrikwekkende situaties zij zich gingen committeren. Ontbossing, aantasting van de visstand en eliminatie van traditionele leefgemeenschappen zijn bekende gevolgen. Natuurlijk, geld verdienen in den vreemde is legitiem, maar tegen welke prijs?

Na lezing vraag ik me af of hier wel een moreel oordeel is te vellen. De industriële voedselproductie waarin onze dieren klem zitten steunt op de belangrijke pijler van de sojabrokken. Lijkt de hele kwestie niet uiteindelijk te dobberen op de kiloknallers uit het foldertje van de supermarkt? Dat in de veeteelt krachtvoer hoofdzaak is, dwingt tot het importeren van voeding. Deze behoefte, deze vraagkant van de economie, heeft gevolgen die reiken tot in het Amazonegebied. Kortom, de dwangneurose van een verkeerd technologisch denken eist hier haar maatschappelijke, natuurlijke en menselijke tol.

HENK MIDDENDORP, Nijmegen

Klasse of kleur?

Marian Donner schrijft in haar stuk ‘De witte navel’ dat in de huidige strijd tegen racisme ‘door alle nadruk op wit privilege ook hier het individu centraal [staat]. Met als voornaamste effect dat het de werkelijke macht aan het zicht onttrekt.’ Zij pleit voor een zogenaamde ‘klassenbenadering’, die het neoliberale kapitalisme als de kern van het probleem ziet. ‘Racisme maakt “slechts” deel uit van een verdeel-en-heerstechniek die globale uitbuiting legitimeert en in stand houdt.’ Ze schrijft dat Gloria Wekker in haar intersectionele benadering dit ‘klassenaspect’ weglaat en voert Harvard-professor Cornel West op als ‘felste voorstander’ van de klassenbenadering.

Maar daar maakt zij volgens mij twee fouten. Ten eerste is er geen reden om aan te nemen dat Wekker de klassenstrijd weglaat. Wekker is volgens mij in haar boek wonderwel geslaagd in haar doel ‘to write an ethnography of dominant white Dutch self-representation’; een moderne analyse van het staatskapitalisme in de westerse democratieën had zij daar niet voor nodig. Uit de manier waarop zij over ons koloniale verleden en haar intersectionele aanpak schrijft, wordt voor de goede verstaander duidelijk wat zij zal vinden van Obama’s onvoorwaardelijke steun aan Israël, de oorlogen in het Midden-Oosten, de drone-strikes en de bailouts van banken. Wests kritiek is op haar dus niet van toepassing.

Donners tweede fout is dat zij West voor haar karretje spant als ze zegt dat hij een eenzijdige klassenbenadering aanhangt. Veelzeggend is dat ze hem onjuist citeert: ‘Een debat over racisme, aldus West, kan niet bestaan zonder het te hebben over “roofzuchtige kapitalistische praktijken (…) of de onwil van de zwarte elite om armoede aan te pakken”.’ Maar in het origineel staat ‘armoede, patriarchie en transfobie!’ West wil een intersectionele benadering, net als Wekker, en zegt nergens dat racisme slechts bijvangst van het kapitalisme is.

Persoonlijk ben ik wakker geschud door bell hooks (door West en Wekker veel geciteerd), die telkens herhaalt dat we in een ‘imperialist white-supremacist capitalist patriarchy’ leven, ‘interlocking political systems that are the foundation of our nation’s politics’. Ik stel voor dat iedereen die iets wil zeggen over de klassenstrijd voortaan begint met dát te erkennen.

GEERT KAPTEIJNS, Amsterdam