Post week 19

Pim Fortuyn

Chris van der Heijden ziet de opkomst van Pim Fortuyn als een ‘echte breuk in de vaderlandse geschiedenis’ (in De Groene van 4 mei). Voor 2002 heerste er politieke correctheid, nadien werden problemen openlijk bediscussieerd.

Tijdens het onderzoek voor mijn proefschrift over de rol van 9/11 in het Nederlandse publieke debat is me echter opgevallen hoe weinig verbaasd veel opiniemakers na de aanslagen waren over het feit dat radicale moslims ze hadden gepleegd. Het bevestigde juist het problematische beeld van de islam dat velen van hen al jaren hadden. Fortuyns islamkritiek was destijds verre van uniek. Zelfs Ad Melkert – toch algemeen gezien als Fortuyns grootste politieke tegenstander – greep 9/11 op een pvda-congres in oktober 2001 aan om ‘de snellere integratie van minderheden scherp te zetten’, en voegde toe ‘ook als dat niet scoort op politieke correctheid’ (verslag in NRC, 8 oktober 2001).

Toen Van der Heijden kranten, rapporten en Tweede Kamer-Handelingen van voor 2002 las ‘kon hij zichzelf wel voor de kop slaan’, omdat de daarin verkondigde multiculturele onvrede hem destijds niet was opgevallen. Waarom heeft hij hieruit dan niet de conclusie getrokken dat Fortuyn helemaal niet zulke nieuwe, afwijkende dingen zei? Wellicht wijst dit op een van Fortuyns grote krachten: het charisma om anderen van zijn analyses (bijvoorbeeld over de uniciteit van zijn verlossende maatschappijkritiek) te overtuigen.

THIJS VAN DOOREMALEN

Vazen en pagoden

In de bespreking van de tentoonstelling Barbaren & Wijsgeren (in De Groene van 19 april) stelt Koen Kleijn enkele interessante punten aan de kaak die om reactie vragen. Kritische repliek op de museumpraktijk is van groot belang en ik ben van mening dat musea de discussie met recensenten vaker moeten aangaan. Publieke collecties zijn geen commerciële bedrijven die hun goederen moeten beschermen, maar open culturele platformen waar externe kritiek vanzelfsprekend is. Daarom juich ik als gastcurator van de besproken tentoonstelling scherpe recensies van harte toe.

De auteur stelt dat Rijksmuseums Azië > Amsterdam in 2015 eigenlijk al het gras voor de voeten heeft weggemaaid. Deze tentoonstelling benadrukte Aziatische luxegoederen in het hogere segment, die vooral in het Amsterdam van de zeventiende eeuw werden besteld en vervolgens ook in nieuwe kunstvormen het licht zagen. Onze tentoonstelling vormt een volgende stap op de route die door hen is ingezet en waarop hopelijk nog veel meer stappen zullen volgen. Wij hebben de vraag gesteld hoe ‘hearts and minds’ van Nederlanders (en van Chinezen) door de uitwisseling van objecten werden beroerd (en hoe uiteindelijk het eurocentrische wereldbeeld ging schuiven).

Een conclusie die de bezoeker kan trekken is dat het huidige westerse beeld van China deels is geworteld in de zeventiende-eeuwse Lage Landen. Ook vandaag de dag is een dubbelzinnige blik op de barbaarse dan wel intelligente Chinezen gestoeld op omvangrijke import van Chinese goederen. Hoewel de tentoonstelling voortkomt uit het (kunst)historisch nwo-onderzoek The Chinese Impact van medegastcurator Thijs Weststeijn ligt een link met het heden dan ook voor de hand. De vraag van Kleijn of de actuele kunst binnen de tentoonstelling zin heeft is dus relevant. Je neemt het risico dat de hedendaagse kunst wordt teruggebracht tot louter een ‘zoek de verschillen’, maar het zet misschien ook aan tot nadenken over vaste aannames ten aanzien van het verleden.

Of Barbaren & Wijsgeren meer betekenis had gehad door de volle aandacht voor het werk van hedendaagse kunstenaars met een historische context als kleurrijke bijzaak – zoals Kleijn stelt – is echter beweren dat de Rijksmuseumtentoonstelling eertijds beter af was met het thema ‘Afrika in Rotterdam’. Het is zeker ook interessant, maar het is wel een andere tentoonstelling. Het is als naar een Bond-film gaan en dan in de zaal terechtkomen voor Clueless. Het overkwam mij ooit. Maar of je dat de makers mag aanrekenen?

MENNO JONKER, gastcurator van de tentoonstelling Barbaren & Wijsgeren