Jan Six

In het artikel ‘Duim omhoog, duim omlaag’ (in De Groene van 12 mei) bekritiseert Joost de Vries onderzoeksjournalisten die bedrog, misbruik of anderszins kwalijk gedrag vanuit het donker naar het licht brengen. Vaak gaat het volgens hem om schandaaljournalistiek, waarbij de onderzoeker tegelijk als rechter en beul optreedt. Zo concludeert hij dat wij, auteurs van het recent verschenen boek Tussen kunst en cash, de kunsthandelaar Jan Six in een voorpublicatie in de NRC voor slechts ‘tienduizend piek’ aan het kruis spijkeren. Dat is een verkeerde voorstelling van zaken.

Het zit zo: de voormalige vriend van Six ontdekte een schilderij van Asselijn en maakte met Six de afspraak om het werk samen te verkopen. Six kocht en verkocht het werk stiekem met een andere handelaar. De bedrogen vriend, tevens kunsthandelaar, meent recht te hebben op de helft van de verkoopwinst. Dus niet ‘tienduizend piek’, maar een bedrag van ongeveer tweehonderdduizend euro.

De andere bedrogen collega is voor enkele miljoenen getild. Hij zou de helft van de verkoopprijs van een Rembrandt hebben gekregen als Six zich aan zijn afspraken had gehouden.

De Vries stelt dat het ons alleen om de naam Six ging. Had de handelaar Bijl geheten, dan hadden we nooit over zijn bedrog geschreven. Onzin. Hoofdrolspelers in andere hoofdstukken van ons boek hebben namen als Fred Kats, David Polak, Trudy Nieuwenhuys-Van der Horst en Kim Logchies. Het bedrog is meestal interessanter dan de bedrieger, ook in het geval van Six.

De ‘lekkere verhalen’, zoals De Vries het denigrerend noemt, zijn bedoeld als illustraties van misstanden. Niet zelden hebben ze grote gevolgen. Als voorbeeld zouden we diverse in ons boek beschreven gevallen van list en bedrog kunnen noemen. Een daarvan leidde tot een gedragscode voor handelaren die betrokken zijn bij het tv-programma Tussen kunst en kitsch. Artikelen over twijfelachtige kunstverkopen door leden van de koninklijke familie hebben geleid tot een overheidscommissie die inmiddels met voorstellen is gekomen voor betere bescherming van nationaal erfgoed in particulier bezit, plannen waarin de overheid op aanraden van de Raad voor Cultuur binnenkort mogelijk 85 miljoen euro investeert. Maar liever wijzen we op de recente #MeToo-verhalen uit de kunstwereld in de NRC, die De Vries ook noemt. Deze onthullingen over personen hebben geleid tot diverse maatregelen voor een veiliger klimaat op academies en andere kunstinstellingen. Abject gedrag onthullen kan zinvol zijn. Wellicht zullen de artikelen over Six leiden tot meer transparantie en betere afdwingbaarheid van afspraken in de kunsthandel.

Pieter van Os, Arjen Ribbens

Gymnasium

‘Education cannot compensate for society.’ Deze bekende uitspraak van Basil Bernstein uit 1970 drukt uit dat onderwijs niet de maatschappelijke gelijkmaker is die we zouden hopen dat het was. Nee, maar onderwijs kan wel de onderlinge verschillen versterken. Zoals de categorale gymnasia doen: ze romen af. Ze trekken de beste leerlingen en de hoogst opgeleide docenten. Ze hebben geen last van het docententekort en zijn dus niet genoodzaakt onbevoegden voor de klas te zetten. Bovendien maak je op een categoraal gymna-sium meer (en eerder) kans op de hoogste salarisschaal dan op bredere scholen (gevolg van de, niet uit te leggen, ongunstige financiering van de gemengde onderbouw op bredere scholen). Gymnasia zorgen dus voor oneerlijke concurrentie en dragen (ongewild) bij aan versterking van de segregatie.

De beste voorspeller van schoolsucces is nog steeds het opleidingsniveau van de ouders. En hoogopgeleide ouders sturen hun kinderen vaak naar het gymnasium. Het gezelschap waarin je verkeert, is bepalend voor wat je leert. Thuis maar ook op school: je leert meer in een klas waar ook betere leerlingen zitten. Die trekken het niveau omhoog. Dat weet iedere docent.

Nu lijkt gedwongen spreiding van de cognitief sterkere leerlingen me geen optie en het opheffen van het gymnasium ook niet. Maar we moeten, denk ik, de segregatie onder ogen zien en draconische maatregelen nemen om gemengde en kwetsbare scholen te compenseren. Met serieus geld, steengoed opgeleide docenten (specialisten in taalachterstand en heterogeniteit), en de aantrekkelijkste arbeidsvoorwaarden (minder lesuren, meer tijd voor studie en samenwerking en meer salaris) en goede gebouwen. Gemengde en kwetsbare scholen moeten een veel sterkere concurrentiepositie krijgen. Ze verdienen alleen al de voorkeur vanwege de grote diversiteit van leerlingen die je er aantreft. School is meer dan cognitie: vertrouwd raken met verschillen in perspectief en achtergrond leert je flexibel met veel verschillende mensen om te gaan. Dat leren zou een reden moeten zijn voor trots en zelfvertrouwen.

LOES LAUTESLAGER, oud-rector scholengemeenschap