Post week 21

Positief nieuws

Het gaat steeds beter met de wereld, behalve met de verslaggeving ervan. Aldus het raak getroffen essay van Ralf Bodelier (De Groene, 19 mei) op het door de media gevoede pessimisme. Hoe groot zijn gelijk ook is, de behoefte om de wereld zwarter te maken dan zij is komt niet bij de media alleen vandaan. Het publiek draagt daar vanuit zichzelf toe bij. Waarom verheugen mensen zich maar mondjesmaat op de nieuw verworven rijkdommen en het welzijn van de laatste eeuwen? Omdat een wereld die jou voortdurend opjaagt met nieuwe uitvindingen, producten, stroomversnellingen en actieradiusvergrotingen niet bij iedereen per definitie uitnodigt tot zelffelicitatie en gejuich. Het negatieve van het nieuws zou voor velen juist wel eens een welkome aanleiding kunnen zijn om zich mentaal teweer te stellen tegen het vernieuwingsgeweld.

In dezelfde Groene biedt het interview met Moisés Naím door Rutger van der Hoeven, met in de ondertitel ‘De complexiteit van de huidige wereld boezemt veel mensen angst in’, een antwoord op Bodeliers protestgeluid. Maar terwijl Naím zich focust op het verval van de macht van elites, instellingen en personen zou, stel ik mij voor, ook een meer optimistische kijk op deze onmacht van de elites te overwegen zijn. Zo zou je kunnen redeneren dat waar somber stemmende nieuwsberichten het zicht ontnemen op onze groeiende welvaart, terwijl elites blijkbaar de greep op datzelfde nieuws zijn kwijtgeraakt, aan dat nieuws in didactisch-literaire zin iets toe te voegen is. Ik denk dan aan een frame, een contextualisering. De postmoderne claim op onze verhalenloze tijd in acht genomen hebbende, zouden didactische vertellers literaire talenten kunnen loslaten op wat zich aandient als vernieuwend, verbeterend, versnellend en ons zo mogelijk verheugend. Zodat, in concurrentie met de media, op internet, in het onderwijs, in de publieke ruimte, het gaat gonzen van ontstaansverhalen.

Guido Everts

Een radicale moordenaar

In De Groene Amsterdammer van 12 mei betoogt Hans Achterhuis in navolging van Hannah Arendt dat Adolf Eichmann een banale en daarom oninteressante moordenaar was. Achterhuis begrijpt niet waarom de biografen van Eichmann, David Cesarani en Bettina Stangneth, het oordeel van Arendt over Eichmann betwisten. Dat onbegrip van Achterhuis kan worden weggenomen door de opvattingen van Cesarani en Stangneth te analyseren.

Cesarani laat in zijn biografie de radicaliteit van Eichmanns misdaden zien. Zo beschrijft hij uitgebreid Eichmanns inspanningen om in mei 1944 725.000 joden vanuit Hongarije naar de gaskamers van Auschwitz te deporteren. Wie leest wat Cesarani daarover schrijft, kan niet meer geloven in de banaliteit van Eichmann. Stangneth beschrijft in haar boek de radicaliteit van Eichmanns gedachten. Zij reconstrueert nauwgezet het radicale antisemitisme waarin hij geloofde. Zonder dat radicale racisme had Eichmann zijn misdaden niet kunnen plegen.

Wie de biografieën van Eichmann leest, krijgt de indruk dat hij de verpersoonlijking was van het radicale kwaad zoals Arendt dat begrip in haar boek The Origins of Totalitarianism omschreef. Eichmann geloofde in een totalitaire ideologie waarin individuele mensen, inclusief hijzelf, overbodig zijn en het menselijke handelen wordt bepaald door de natuurwetten van de strijd om het bestaan tussen de rassen. Eichmann was ook bereid en in staat om tot het allerlaatste moment naar die ideologie te handelen en dat maakte hem tot een van de ergste massamoordenaars uit de geschiedenis.

In Eichmann in Jerusalem kwam Arendt terug op haar eerdere opvatting. Eichmann vertegenwoordigde niet het radicale kwaad van een totalitaire ideologie, maar het banale kwaad van een onnadenkend mens die slechts handelt uit gehoorzaamheid aan de regels van zijn samenleving. Zij zag daarbij de mogelijkheid over het hoofd dat een vertegenwoordiger van het radicale kwaad op een openbare terechtzitting een banale gedaante aanneemt om zijn ware motieven te verhullen. En dat is precies de boodschap van Cesarani en Stangneth: we moeten de radicaliteit van Eichmanns daden en motieven onder ogen zien, anders verdwijnt een kenmerkend verschijnsel van de holocaust in de vergetelheid.

Klaas Rozemond, Amsterdam


Gidslezing door Valeria Luiselli

De vijfde Gidslezing wordt gehouden door de Mexicaans-Amerikaanse schrijfster Valeria Luiselli op 9 juni in de Rode Hoed in Amsterdam. Luiselli (Mexico-Stad, 1983) brak in Mexico door met haar debuut Valse papieren (2010) en internationaal met de roman De gewichtlozen (2013). Haar werk is een zeer actuele combinatie van essayistiek, fictie en reisverslag. De geschiedenis van mijn tanden (2015), haar laatste roman, is een intrigerende mix van genres over de waarde van kunst en arbeid. Tijdens de lezing spreekt Luiselli over literatuur en migratie, de twee belangrijkste thema’s in haar leven en werk.

Niña Weijers interviewt Luiselli na de lezing. Maarten van der Graaff en Maartje Smits tonen een voor deze avond gemaakte video. Vincent Rietveld verzorgt met studenten van de Toneelacademie Maastricht een theatrale bijdrage. 20.00 uur, € 12,50/11,50. Informatie en kaarten: de-gids.nl/artikel/gidslezing-door-valeria-luiselli