Post week 21

Rekenen

Het Groene-onderwijsnummer (9 mei) biedt een breed scala aan perspectieven op toekomstig onderwijs. Er bleef echter een aspect onderbelicht: de impact van de computerisering van reken-wiskundige bewerkingen en de consequenties daarvan voor het onderwijs. Tegenwoordig kunnen al deze bewerkingen, die in het primair, secundair en tertiair onderwijs worden aangeboden, door computers worden uitgevoerd.

Dit betekent echter niet dat er geen wiskundeonderwijs meer nodig is. In onze hoogtechnologische maatschappij hebben juist steeds meer mensen steeds meer reken-wiskundige vaardigheden nodig. Maar dat zijn grotendeels andere dan die nu worden onderwezen. Nu ligt het accent op doelen die concurrerend zijn met wat computers kunnen, terwijl er behoefte is aan inzichten en vaardigheden die complementair zijn aan wat computers kunnen.

Nu zijn inzichten en vaardigheden nodig voor het aansturen van apparaten en het interpreteren van output. Kinderen moeten bijvoorbeeld leren hoe je een vraagstelling uit de realiteit zo vertaalt dat de computer kan helpen om een antwoord te vinden. Ze moeten ook begrijpen waar de berekeningen die apparaten uitvoeren op zijn gebaseerd en de statistische informatie waarmee we dagelijks worden overspoeld kunnen interpreteren en beoordelen. Vervolgens moet worden onderzocht hoe dit het beste zou kunnen worden onderwezen. Wat alleen kan in samenwerking met leraren, die meedenken over de noodzaak de doelen aan te passen en experimenteren met manieren om deze doelen te bereiken.

KOENO GRAVEMEIJER, Leiden

Stedelijke blik

Witte elitaire scholen in Amsterdam-Zuid en het Gooi tegenover zwarte scholen in Amsterdam-Zuidoost en Nieuw-West. En natuurlijk de Haagse Schilderswijk. De Groene-onderwijsspecial (9 mei) schetste een clichématig beeld van Nederland. De focus op dergelijke niet-representatieve plekken geeft een vertekend beeld van maatschappelijke tegenstellingen. Want in de rest van Nederland, waar de overige 86 procent van de bevolking woont, liggen verhoudingen anders. Daar is het (v)mbo ook voor autochtonen een normaliteit. Grote steden kennen een gepolariseerde bevolkingssamenstelling waarbij én de autochtone bovenlaag én mensen met een migratieachtergrond zijn oververtegenwoordigd. Dit grote contrast beïnvloedt het debat over diversiteit en ongelijkheid sterk. Zo wordt vaak gesteld dat allochtonen sneller een te laag schooladvies krijgen en worden universiteiten in die steden als te wit aangemerkt. Maar deze veronderstelde ongelijkheden vallen op nationaal niveau weg. Dat de schooladviezen voor allochtonen laag lijken, komt vooral doordat ze vaak wonen in gebieden waar net dat deel van de autochtonen woont dat vaak een (te) hoog advies krijgt. Maar leg er scores van autochtonen in het oosten van het land naast en het beeld kantelt. En zo blijken universiteiten als het gaat om studenten gewoon de Nederlandse verhoudingen tussen autochtoon en allochtoon te representeren. Dat ze voor de stedeling wit lijken komt doordat de tachtig procent van Nederland die niet in een universiteitsstad woont óók recht heeft op onderwijs. De (Rand)stedelijke blik maakt dat ongelijkheid te sterk wordt gekoppeld aan kleur en dat andere achterstanden buiten beeld blijven.

JOSSE DE VOOGD, onderzoeker