De heilige integraal

De bespreking in De Groene (11 mei) van De integrale staat van Paul Frissen vat de kern handzaam samen en eindigt met een groot dilemma: hoe kunnen we terechte pleidooien voor een zo terughoudend mogelijke staat – de rode draad door zo’n beetje alle boeken van Frissen – rijmen met de in veel opzichten evidente noodzaak van een zo ambitieus mogelijk overheidsbeleid? Het is evenwel de vraag in hoeverre Frissens betoog over integraliteit ons gaat helpen om uitwegen uit dit dilemma te vinden. Dat komt deels door hoe hij het hoofdonderwerp neerzet: integraliteit is in zijn ogen een verkapt utopisch verlangen. In een wereld die gekenmerkt wordt door allerhande vormen van gebrokenheid is de integrale staat zo bezien gedoemd tot falen óf tot totalitarisme.

Je kunt het verlangen naar (meer) samenhang in overheidshandelen ook zien als een welkome poging tot reparatie van een hardnekkig kenmerk van de overheidsbureaucratie: het naast en soms tegen elkaar in werken van regels, werkwijzen en interventies. Zou het kunnen dat in overheidsteksten – het belangrijkste bewijsmateriaal van Frissen – zo veelvuldig en al zo lang gesproken wordt over integraliteit omdat het beleid in de praktijk om allerlei redenen allesbehalve samenhangend is? En dat beleidsmakers willen leren van eerder gemaakte fouten en werk willen maken van het inzicht dat beleid op terrein X gevolgen zal hebben voor terreinen Y en Z et cetera? Zo opgevat is ‘integraliteit’ geen utopisch verlangen, maar uitdrukking van een praktische gêne over de uitwerking van gefragmenteerd beleid.

Voor de goede orde: verkokerd beleid is niet per se verkeerd – handige burgers kunnen er vaak uitstekend mee overweg. Maar vooral wanneer nieuwe kokers opgebouwd zullen moeten worden, bijvoorbeeld omdat de hele energie- en waterhuishouding opnieuw moet worden vormgegeven, mogen we van overheden niet anders verwachten dan dat zij oog hebben voor de samenhang der dingen. Dat oog zal nooit zo scherp zijn als de blik van Frissen, maar dat zou ook te veel gevraagd zijn. Zolang de integrale staat een overheid is die zich bewust is van de meerlagigheid van de oorzaken van maatschappelijke problemen en van de meervoudige gevolgen van beleid, blijven we weg van Frissens utopische nachtmerrie. De hamvraag is: hébben we zo’n overheid?

Hans Rutten,
Dordrecht

Luchtkwaliteit

Investico besteedt in De Groene (11 mei) aandacht aan een belangrijk maar vaak onderbelicht probleem met zijn onderzoek naar scholen en sportclubs die te dicht bij drukke wegen liggen. Zoals in de verantwoording wordt vermeld, behoren woningen volgens de ggd ook tot de categorie ‘gevoelige’ locaties, maar zijn deze buiten het onderzoek gehouden. Daarnaast zou het gezien de aanzienlijke gezondheidsschade ten gevolge van vervuilde lucht niet onredelijk zijn om bijvoorbeeld ook kantoren als een dergelijke locatie te beschouwen. Niet alleen met het oog op de gezondheid van mensen die niet tot de ‘hooggevoelige’ groepen behoren, maar ook omdat op kantoren vrijwel altijd een deel van de medewerkers tot een hooggevoelige groep zal behoren.

En zijn het zo bekeken nog wel de genoemde locaties die te dicht bij drukke wegen liggen, of zou het een betere conclusie zijn dat (drukke) wegen vaak te dicht bij deze locaties liggen, en dus eigenlijk ook vooral te dicht bij onze dorpen en steden? Een dergelijke herformulering lijkt mij daarmee ook baan te geven aan betere, fundamentelere manieren om problemen omtrent luchtkwaliteit op te lossen, en kan bovendien ook voor bestaande locaties een antwoord bieden. In het kort: de auto de stad uit!

Thom Oosterhuis