Post week 26

De brieven van Lucebert

Elsbeth Etty in De Groene Amsterdammer (van 21 juni): Wim Hazeu heeft als enige Luceberts oorlogsbrieven aan Tiny Koppijn ingezien ‘en weigert’ de brieven ‘met anderen te delen’. Etty is ook biograaf en zij weet als geen ander dat ik noch de eigenaar van de brieven ben, noch het auteursrecht bezit. Ik heb niets te weigeren. Overigens zijn de brieven of kopieën van de brieven in ieder geval ingezien door leden van de familie Koppijn en door dochters van Lucebert. Een van hen bevestigde in de recente vpro-radiodocumentaire dat de door mij geciteerde abjecte passages slechts in een paar brieven staan. Etty kan zich voor het auteursrecht bij de Erven Lucebert melden en voor de inzage bij de door mij genoemde eigenaars: de Erven Koppijn. Ik heb laatstgenoemden geadviseerd de brieven uiteindelijk onder te brengen in het documentatiecentrum van het Literatuurmuseum in Den Haag.

WIM HAZEU,

auteur van de Lucebert-biografie

De neoklassieke theorie

Ewald Engelen schrijft (in De Groene Amsterdammer van 9 mei) dat er aan de universitaire economie-opleidingen in Nederland alleen oog is voor de neoklassieke theorie die uitgaat van rationele individuen die keuzeproblemen weloverwogen oplossen. Volgens die theorie komen individuen als zij afgaan op de marktsignalen over de waarde van goederen en diensten onder bepaalde voorwaarden in de beste van alle mogelijke werelden terecht. Afgestudeerden zijn met dit adagium geïndoctrineerd tijdens hun studie in de economie en zijn daardoor ‘gelijkgeschakelde technocraten’ geworden ‘die de ideologische vooronderstellingen van de neoklassieke economie – markten weten beter – als morele en theoretische toetssteen beschouwen voor zowel beleidsaanbevelingen als academische oordeelvorming’.

Is er een verheerlijking van marktwerking in de neoklassieke theorie? Neem het voorbeeld van de markt voor ziektekostenverzekeringen. De neoklassieke theorie verklaart waarom in een vrijemarkteconomie, zoals in de VS voordat Obamacare werd ingevoerd, mensen met een slechte gezondheid en een laag inkomen onverzekerd moeten rondlopen. Als dit sociaal onwenselijk wordt geacht, moet de overheid hier de markt sterk reguleren en dwingende eisen stellen aan zorgverzekeraars en verzekerden. Dat is iets heel anders dan ‘markten weten beter’, want dat is grotendeels de marktwerking uitschakelen. De standaardconclusie van de neoklassieke economie is dus zeker niet dat markten altijd het beste werken, zoals Engelen beweert. Integendeel, de theorie geeft tamelijk precies aan wanneer markten niet werken.

Hoe ‘monotheoretisch’ zijn de economie-opleidingen? Bij diverse faculteiten in Nederland (onder meer in Amsterdam en Tilburg) bloeit de gedragseconomie uitbundig. Gedragseconomen proberen na te gaan hoe individuen feitelijk handelen. Dat is dus vaak niet rationeel. De gedragseconomie leidt daarom soms tot een oneindige casuïstiek van mogelijk individueel gedrag. Opvallend is dat veel gedragseconomen hun resultaten vaak tegen de neoklassieke gedragsveronderstellingen proberen af te zetten. De neoklassieke theorie geldt als de benchmark, oftewel zonder die theorie zou er geen gedragseconomie zijn. Kennelijk geldt ook voor gedragseconomen de neoklassieke school als de moeder van alle mogelijke economische scholen. Het is dan ook niet zo vreemd dat in de universitaire opleidingen de neoklassieke theorie zeker in de eerste fase veel aandacht krijgt. In de latere fase van de studie kunnen (en zullen) alternatieve economische scholen behandeld worden.

Harrie Verbon,

docent en emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg