Post week 26

Rembrandt

Het ook nu weer gave discours door Rudi Fuchs over Rembrandts weergave van de passie van de Heer (De Groene, 11 juni) behoeft een kleine aanvulling. Er zijn er zes, waarvan er zich vijf in de Alte Pinakothek München bevinden. Dat zesde schilderij, voorstellend de kruisiging, hangt sinds 1804 in een abdijkerk in Mas-d’Agenais, in het Franse departement Lot-et-Garonne. Lang werd de echtheid betwijfeld, tot na onderzoek tussen 1959 en 1962 door de Fransen werd vastgesteld dat Rembrandt het al in 1631 heeft geschilderd. Hoe het in Lot-et-Garonne terechtgekomen is, weet ik niet. Locatie en conditie zijn niet optimaal; de opstelling in München van de andere vijf, toen ik daar in de jaren tachtig was, hield trouwens ook niet over.

LEO JACOBS, Amsterdam

Audre Lorde

Geweldig, een Lorde-revival. Dank voor het artikel, Warda El-Kaddouri, maar het is natuurlijk niet waar dat zij eerder niet in het Nederlandse taalgebied verscheen. In mijn kast staan Zami, een nieuwe spelling van mijn naam en Oog in oog (vertaling van Sister Outsider), beide uitgegeven in 1985 door Uitgeverij Sara. Het gedicht ‘A Litany for Survival’ verscheen in vertaling in Lust en Gratie, samen met een prachtig interview met Lorde.

JANNET VAN DER SPEK, Groningen

Feestende zuiderlingen

Hoogleraar politieke economie Mark Blyth vertelt over Rutte’s verhaal van ‘nijvere Noord-Europeanen en feestende zuiderlingen’ (De Groene, 11 juni). Of dat verhaal op feiten is gebaseerd staat helaas niet in het interview. Ik meen dat Zuid-Europeanen juist harder werken dan noorderlingen, en veel minder verdienen. Maar daar verneem ik zelden iets over in onze media, helaas ook niet in De Groene. Over het voordeel dat een land als Nederland geniet van de handel binnen de EU, vooral met export naar die feestende zuiderlingen, ook al niet.

JASPER JACOBS, Amsterdam

Vondelingen

Aangrijpend én hartverscheurend is het artikel over de tentoonstelling in het Stadsarchief, over de vondelingen uit het Amsterdamse verleden (De Groene, 18 juni). Wanhopige moeders die zich geen raad wisten en hun pasgeborenen daarom maar te vondeling legden, in de hoop dat anderen zich over hen zouden ontfermen. Een praktijk die niet beperkt bleef tot Amsterdam, maar bijvoorbeeld ook in een stad als Antwerpen schering en inslag was. Om te voorkomen dat kinderen op verschillende plekken in de stad werden achtergelaten en dus het risico liepen niet te worden gevonden, had het armbestuur van die stad besloten om in de muur van het weeshuis een luikje met een draaischijf te maken waarop de ‘vondeling’ kon worden gelegd! Gemak dient tenslotte de mens.

En dan te bedenken dat het lot van de stadskinderen nog gunstig afstak bij dat van de wezen op het platteland. Waren de eersten in elk geval nog verzekerd van geregelde maaltijden en onderwijs, de kinderen op het platteland waren volledig onderworpen aan de grillen van degenen bij wie ze waren geplaatst. Aangezien dorpen niet over weeshuizen of andere vergelijkbare liefdadigheidsinstellingen beschikten, werden ongewenste kinderen daar in het openbaar uitbesteed. In mijn promotieonderzoek naar de armenzorg op het Zeeuwse platteland stuitte ik meer dan eens op gevallen waarbij een weeskind door de veldwachter naar de herberg werd gebracht, daar op een tafel werd gezet om vervolgens te worden ‘verkocht’ aan diegene die het minst vroeg voor de verzorging van het kind. Deze vorm van openbare aanbesteding bleef tot ver in de negentiende eeuw bestaan, lang nadat de slavernij was afgeschaft.

Het lot van de uitbestede kinderen was niet te benijden. Klachten over ondervoeding of over mishandeling door de pleegouders, die de wezen als goedkope arbeidskrachten beschouwden, klonken dan ook geregeld door.

ALBERT KORT, ’s-Heer Hendrikskinderen

U kunt uw ingezonden brief van maximaal 400 woorden sturen naar groene@groene.nl