Post week 27

Mijn dood

Met belangstelling en instemming las ik het essay van Henk Blanken ‘Mijn dood is niet van mij’ (in De Groene van 28 juni), waarin hij zegt dat een mens zelf moet kunnen beslissen over zijn levenseinde. Maar op het einde neemt hij daar toch afstand van door de beslissing uit handen te geven, namelijk aan zijn lief. Dat doet hij uit deernis voor haar omdat zijn dood haar in haar geluk zou kunnen treffen.

In het zorgdragen voor het geluk van de ander ziet hij de morele plicht jegens de achterblijver(s) om door te leven, of ten minste de regie los te laten. Maar door de beslissing over zijn levenseinde met woorden van liefde bij zijn lief te leggen, onttrekt hij zich wel aan de verantwoordelijkheid voor die beslissing! Het is de afweging of ‘het geluk’ c.q. de positieve kanten van de periode van voortbestaan opweegt tegen de negatieve kanten van het uitstel van de (gekozen) dood. De periode van ontluistering kan voor de toekomstige nabestaande(n) een immens zware opgave zijn, al zal/zullen die de zorg veelal met liefde vervullen.

De nabestaande(n) moet(en) per definitie een periode door van rouw en verder leven met het gemis van de (fysieke) aanwezigheid van de ander. Men kan die periode uitstellen met een maand, drie maanden, een half jaar et cetera, maar die tijd komt hoe dan ook! Hoe verhoudt zich de kwaliteit (‘het geluk’) van de ‘resttijd’ van de ‘patiënt’ en van de al dan niet zorgende ‘nabestaanden’ tot elkaar?

Ik zou mijn dierbare naasten niet willen opzadelen met mijn voortbestaan in ontluisterende toestand. Zo draag ik ook een niet-reanimerenpenning, omdat ik hen niet wil belasten met alle ellende die het geval zou kunnen zijn wanneer ik met afasie, halfzijdige verlamming of wat ook, uit een reanimatie te voorschijn zou komen – afgezien van het feit dat ik dat zelf ook niet wil. Natuurlijk zal mijn dood hen verdriet doen (met deze gedachte vlei ik mij althans), maar dat verdriet komt vroeger of later hoe dan ook. Hun geluk – en daar gaat het ook Henk Blanken om – moet maar zitten in de herinneringen aan mij toen ik nog goed was. Nee, hoe goed bedoeld ook, met de draai aan het eind van zijn essay onttrekt Henk Blanken zich aan de door hem geprezen verantwoordelijkheid.

JUST WALTER, Weesp