Landbouwrevolutie

Hoe pakken we de ruimtelijke planning van onze voedselproductie aan? Dat is een heftig debat in de landgebruikwetenschap. Twee belangrijke richtingen hierin zijn het tovenaar-denkkader en het profeet-denkkader, naar het boek The Wizard and the Prophet van Charles C. Mann. In het zeer interessante artikel ‘Landbouw zonder land’ (in De Groene van 24 juni) voert de auteur een extreme versie van het tovenaar-denkkader op, waarin technologie de Haarlemmerolie is. Hij ziet hierin twee dingen over het hoofd.

Ten eerste: ondanks alle problemen die de huidige intensieve landbouw veroorzaakt, heeft het landbouw-landschap alsnog culturele waarde. Het zijn cultuurlandschappen, die een archief zijn van duizenden jaren van gebruik door mensen. Dat landschap laten transformeren tot wildernis doet geen recht aan die culturele waarde.

Ten tweede: in 1865 beschreef William Stanley Jevons hoe stoommachines efficiënter werden, waardoor steenkool gebruiken relatief goedkoper werd, waardoor de consumptie steeg. Deze ‘Jevons paradox’ zien we heel vaak gebeuren. Technologische vooruitgang leidt zelden tot minder gebruik van natuurlijke hulpbronnen, meestal alleen maar tot meer gebruik.

Hoewel ik denk dat de innovaties die jullie beschrijven veel potentie hebben, denk ik dat het vertrouwen erin niet helemaal gerechtvaardigd is. Deze oplossingen moeten samengaan met nadenken over andere waardes van het landschap en nadenken over ons consumptiegedrag.

NYNKE SCHULP, universitair hoofddocent Land Use-Lifestyle-Ecosystem Change aan de VU, Amsterdam

Ewald Engelen

Hulde voor de column van Ewald Engelen in De Groene van 24 juni. Een doordachte analyse waaruit blijkt dat we als de wiedeweerga het kapitaal moeten disciplineren, en dan maakt het mij niet uit of dat door mannen of vrouwen gebeurt. Economen zijn geen astronomen met exacte meningen, maar veel eerder astrologen die van alles in het economisch sterrenstelsel lezen, maar daarbij vooral hun achterban bedienen.

Dat er iets erg mis is mag blijken uit dat de totale geldhoeveelheid in de wereld, waaronder direct opvraagbaar spaartegoed, in het niet valt bij de gelden die wereldwijd in de derivatenhandel (speculatie) zitten. Daar zit het meeste geld. Speculatie door de rijken. Dat geld wordt niet gebruikt om te investeren, maar om te speculeren. Schattingen qua exacte omvang zijn bijna niet te maken. Het gaat vandaag de dag slechts om wie het snelste algoritme heeft, meer niet. En de gewone burger maar belasting betalen. Bizar is dat het kapitaal volledig buiten schot blijft ook bij het betalen van de schade door de coronacrisis.

Ik wil ten slotte met Ewald Engelen de stelling van John Maynard Keynes, een van mijn helden, delen. ‘But the position is serious when enterprise becomes the bubble on a whirlpool of speculation. When the capital development of a country becomes a by-product of the activities of a casino, the job is likely to be ill-done.’

HARRY BLEEKER, Amsterdam

F. Lee Baily

In de necrologie van F. Lee Baily in De Groene van 17 juni wordt een eenzijdig beeld gegeven van de zaak O.J. Simpson. Het beeld van Baily als slimme, geldbeluste opportunist klopt wellicht als beeld van Baily zelf, maar als framing van de rechtszaak tegen Simpson schiet het ruimschoots tekort.

In 1996 studeerde ik klassieke retorica aan Northwestern University in Chicago. Wij kregen de pleidooien van Johnnie Cochran (aanvoerder van het ‘dream team’) en Marcia Clark (openbare aanklager) te lezen. Retorisch gezien stak het pleidooi van Cochran mijlenver uit boven het pleidooi van Clark. Dat kwam niet alleen doordat Cochran een betere en slimmere advocaat was, maar vooral doordat het punt dat hij maakte raakte aan een diepe angel in de Amerikaanse samenleving: langdurig, structureel en ernstig racisme bij de politie.

Cochran haalde met zijn verdediging een retorische ‘truc’ uit die hij leerde van Cicero: het verschuiven van de context. Hij verschoof de juridische zaak-Simpson naar de politieke arena. De zaak-Simpson werd van een simpele moordzaak tot een politieke aanklacht. Er waren banden waarop politiemensen zich racistisch uitlieten en er was bewijs dat er om racistische redenen gefraudeerd was met het bewijsmateriaal. Deze feiten gaven de verdediging machtige vleugels.

Cochran gaf de jury een politieke rol. Nadat o.a. Baily via zijn spervuur al het bewijs tegen Simpson verdacht had gemaakt, liet Cochran de jury voelen dat zij in een grotere rechtszaak beland waren dan een moordzaak, en dat hun onschuldig-verklaring van Simpson de betekenis zou hebben van een schuldig-verklaren van het politiekorps van LA. Met het laten wegkomen van een enkele zwarte man, een die er bij uitzondering in geslaagd was om rijker te worden dan de meeste witte mannen, zouden zij onrecht aan de kaak stellen waar wit Amerika al eeuwenlang mee wegkwam.

Er valt nog lang en nachtelijk te spreken over deze gang van zaken, maar het simplistische perspectief dat de jury zich door goedbetaalde slimme witte advocaten met een spervuur aan argumenten in de war zou hebben laten brengen over wat recht en krom is, is te kort door de bocht.

SAAR FRIELING, Amsterdam