Post week 3

Fire and Fury

In de altijd heerlijke column ‘Buitenland’ van Rutger van der Hoeven wordt het boek Fire and Fury redelijk afgebrand en als prutswerk afgedaan, terwijl in hetzelfde nummer (De Groene van 11 januari) er vervolgens uit wordt geput in het verder uitstekende artikel van Jan van der Putten over Israël. Het presidentschap van Trump is ook verwarrend en ik benijd de media niet die dit moeten verslaan. Doodzwijgen of toch meegaan in de waan van de dag?

Na Fire and Fury gelezen te hebben: zelfs als maar de helft waar is van wat er wordt geschreven, dan nog is het verplichte kost voor ieder weldenkend mens die wil weten hoe op wereldschaal de koek wordt verdeeld en die zich hierover inzicht wil verschaffen om vervolgens het dagelijkse nieuws in een context te plaatsen. We hebben het namelijk niet over niks: de bezetting van het meest machtige ambt van de wereld, het presidentschap van de VS. Alle beslissingen die in de VS worden genomen op nationaal niveau raken ons vroeg of later in Europa. Dat is niet leuk, maar wel waar.

BENJAMIN VOS

Ruk naar rechts

Eindelijk eens een intellectueel van linkse signatuur, die de conservatieve reactie in Nederland vanaf de jaren negentig serieus neemt. Merijn Oudenampsen verdient een compliment voor zijn onderzoek, waarin de conservatieve reactie niet a priori neerbuigend en vooringenomen wordt afgedaan als een gevoel van de onderbuik. Toch ben ik bang dat zijn conclusie (in De Groene van 11 januari) dat de conservatieve reactie tot nu toe niet onverdienstelijk is geweest in het bestrijden van de intellectuele hegemonie van links van beperkte betekenis is. Van daadwerkelijke invloed van het cultuurconservatisme op het overheidsbeleid en van herwonnen macht in de instituties (onderwijs, wetenschap, media en justitie/politie) is immers tot nu toe nauwelijks sprake.

Ik ben het evenmin eens met de conclusie van Kennedy c.s., die door Oudenampsen met instemming worden aangehaald, dat de linkse elite op vergelijkbare wijze de conservatieve golf ‘verend heeft opgevangen’ als de conservatieve elite destijds heeft gedaan met de revolte van ’68. Met deze culturele revolutie van marxistische snit werden toen namelijk wel degelijk machtsposities binnen de instituties veroverd en sindsdien niet meer afgestaan.

Wat ook opviel vanaf de jaren negentig, en nog steeds opvalt, is de intolerante, pretentieuze en wegkijkende houding van de progressieve linkse elite: men heeft de postmodernistische wijsheid in pacht, voelt zich moreel verheven boven de conservatief en brandmerkt de opvattingen van laatstgenoemde steevast als populisme, ook al baseert de moderne conservatief zich voor een deel op progressieve waarden en op de waarden van de Verlichting. Om dit een op consensus gerichte houding te noemen, is een gotspe. Van een ‘verend opvangen’ en accommoderen van de uitdagers van de linkse macht is dan ook geen sprake. Capituleerde de conservatieve elite in ’68 zonder slag of stoot, nu bedient de linkse elite zich juist van alle middelen om de macht te behouden.Rotterdam

FRED MAESSEN, Rotterdam