Post week 30

De witte man

Met veel belangstelling en instemming las ik het artikel van Joost de Vries over de witte man in De Groene Amsterdammer van 14 juli. Wat bij het racismedebat echter over het hoofd gezien wordt is het fenomeen van de projectieve identificatie. Een kind van drie, vier jaar zal, wanneer het zich aan een tafel stoot, die tafel stout vinden en een schop geven. Voor een kind van die leeftijd normaal gedrag. Wij leren onze kinderen dat die tafel niet het kind stoot maar dat het kind zich stoot aan de tafel. Wij leren kinderen de verantwoordelijkheid te nemen voor wat ze zelf doen.

Wanneer ik iemand uitscheld voor ‘lantaarnpaal’ dan kan die dat onaangenaam vinden of zeggen: wat leuk, ik breng licht in de duisternis. De betekenis van een woord wordt aangebracht door de luisteraar en niet door de spreker. Het vervolg van deze interactie is immers afhankelijk van de betekenis die de luisteraar aan het woord ‘lantaarnpaal’ geeft. Woorden, beelden, gebaren kunnen als zodanig niet beledigend zijn, de beledigende betekenis wordt er door de luisteraar, de kijker, de ander zelf aan gegeven.

Wat bij bijvoorbeeld in het Zwarte-Pietdebat misgaat, is dat degenen die zich beledigd voelen door Zwarte Piet die belediging in feite zelf aanbrengen door de betekenis die zij zelf aan Zwarte Piet hechten, en dit vervolgens Zwarte Piet kwalijk nemen en hem gaan vervolgen, hem een schop geven. Hier is het fenomeen van projectieve identificatie vol aanwezig. Dat wordt echter nimmer genoemd. Men reageert alsof inderdaad woorden, beelden, gebaren kunnen beledigen, waardoor men ook impliciet de ‘beledigde’ het recht geeft tot reactie, hetgeen volop gebeurt.

Het racismedebat zou veel rationeler gevoerd kunnen worden, indien men stopt met de ander de schuld te geven van betekenissen die men zelf verleent.

A. MEILINK

Zomerverhaal

Met beschuldigingen van plagiaat moet je altijd voorzichtig zijn, maar Jamal Ouariachi heeft mij met zijn verhaal De Moslim Sportvissers Club toch een ongemakkelijk gevoel bezorgd. Dat komt door de anekdotische kern van zijn verhaal: dat vistripje in de vrije natuur van een groepje vrienden. Bij hun uitverkoren stek ontdekken ze in het water al snel het naakte lijk van een blonde vrouw. Maar in plaats van alarm te slaan, zetten ze rustig hun tentjes op, maken een kampvuur, gaan lekker barbecueën en blijven overnachten. Want die vrouw is dood, ze kunnen haar toch niet meer helpen. Weer thuisgekomen hebben ze heel wat uit te leggen; vooral de vrouw van de ik-figuur begrijpt er niets van.

Waar had ik dit eerder gelezen? Natuurlijk, in het verhaal So Much Water So Close To Home van Raymond Carver. Omdat Ouariachi in zijn verhaal bijna terloops de titel van een van Carvers bundels laat vallen – What We Talk About When We Talk About Love (zonder daarbij de naam van de auteur te noemen) – kan ik mij niet voorstellen dat hij onbekend is met Carvers verhaal. Wat moet je hier nu van denken? Intertekstualiteit is prima, maar zonder die naamsvermelding lijkt dit toch meer op het pronken met andermans veren.

HANS HOES, Hengelo

Engelse namen

Het is een merkwaardige maar onderhand wijdverbreide gewoonte om buitenlandse namen in het Engels weer te geven, ook als het landen betreft waar Engels geen voertaal is of zelfs nauwelijks wordt gesproken. Een fraai voorbeeld trof ik aan in De Groene Amsterdammer van 14 juli, op pagina 8. Daar is sprake van de ‘People’s Daily’, de ‘Jin San Society’, de ‘Taiwan Democratic Self-Government League’, de ‘Revolutionary Committee of the Chinese Kuomintang’ en de ‘China Democratic League’. Ik neem aan dat geen van die namen in China zelf wordt gebruikt. Waarom dan niet gewoon een Nederlandse vertaling van de Chinese naam, in plaats van een Engelse? Dat is voor Nederlandse lezers wel zo prettig, zeker als ze niet goed thuis zijn in de Engelse taal. En dat het heel goed mogelijk is blijkt uit de in hetzelfde stuk genoemde naam ‘Communistische Partij’. Zo hoort het, wat mij betreft.

HANS DIJKHUIS, Bergen