Bolkestein

In het interview met Frits Bolkestein (in het Groene-zomernummer) heeft redacteur Margreet Fogteloo een nogal vileine passage over mijn proefschrift opgenomen. Ze karakteriseert het boek als een ‘wetenschappelijke onderbouwing’ van het heersende linkse sentiment dat Bolkestein een ‘vervelende rechtse man’ is. Daar blijft het niet bij.

Een belangrijk argument in mijn proefschrift is dat Bolkestein een intellectueel inspirator is geweest van zowel het rechtspopulisme als het neoliberalisme in ons land. Dit onderbouw ik aan de hand van een uitgebreide reeks citaten van Bolkestein zelf, en van politieke geestverwanten. Fogteloo stelt onomwonden vast dat Bolkestein deze ‘beschuldiging heeft weerlegd als klinkklare onzin’.

Dit komt voor mij als een verrassing. Bolkestein heeft naar mijn weten helemaal niets weerlegd. De stelling dat hij een inspirator is geweest van het rechts-populisme is nooit echt door Bolkestein weersproken. Integendeel, het was Bolkestein zelf die Geert Wilders zijn ‘tovenaarsleerling’ noemde in een bekend interview met The New York Times. En Wilders heeft op zijn beurt nooit onder stoelen of banken gestoken dat hij veel van zijn politieke inspiratie van zijn voormalige politieke chef heeft.

De kritiek van Bolkestein betrof iets anders. Het ging erom dat ik hem associeerde met de Oostenrijkse econoom en filosoof Friedrich Hayek, grondlegger van wat Hayek zelf aanduidde als ‘de neoliberale beweging’. Bolkestein schreef in een boze brief aan NRC Handelsblad dat hij Hayek nooit gelezen had. Dat bleek klinkklare onzin. In bijna elk boek van Bolkestein is er wel een citaat van Hayek te vinden. Bolkestein prijst hem uitvoerig als ‘misschien wel de belangrijkste liberale politieke filosoof van de twintigste eeuw’. Sterker nog, Bolkestein was lange tijd erelid van de prestigieuze Friedrich August Von Hayek Stiftung, waar hij als jurylid prijzen uitreikte in de geest van het werk van Hayek.

Fogteloo heeft duidelijke sympathieën, zo blijkt uit het interview: bewondering voor Bolkestein, afkeer van linkse intellectuelen. Dat is op zich prima, zolang je maar met enige zorgvuldigheid te werk gaat. Een proefschrift karakteriseren als ‘klinkklare onzin’ is best een zware beschuldiging. Dan ben je het aan je stand verplicht als Groene-redacteur om dat te onderbouwen en het werk in kwestie ook te lezen. Als dat niet lukt, is het minste wat je kunt doen in ieder geval de titel even googelen (niet Nieuw Rechts zoals Fogteloo meent, maar De conservatieve revolte).

Merijn Oudenampsen

De jaren zestig

In het dubbeldikke nummer van 15 juli schrijft Marcel ten Hooven over Provo en laat Roel van Duijn en Hedy d’Ancona aan het woord. De jaren zestig! Een kleine opmerking en correctie ter aanvulling. Ooit nodigde ik Roel van Duijn uit om tijdens een lesuur over Provo te komen spreken. Hij woonde om de hoek: Karthuizerstraat 14, vlak bij het Karthuizersplantsoen waar toen de Sociale Akademie gevestigd was. Ik was tweedejaars student cultureel werk en maandelijks werd een kunstenaar, schrijver of ‘opiniemaker’ die in de publiciteit stond uitgenodigd. Provo was nog maar net actief, het was toen september of oktober 1965. Ik vermeld dit omdat Marcel ten Hooven schrijft dat Provo op 25 mei 1964 werd opgericht. Het was precies een jaar later. Net als het gesprek dat Roel van Duijn met Constant Nieuwenhuys had. Ik herinner me goed dat hij me voor zijn optreden vertelde hoe interessant de avond tevoren het gesprek met Constant was geweest.

Evert Duintjer Tebbens, Leeuwarden

Anthony Bourdain

In het stuk van Joost de Vries over Anthony Bourdain (in De Groene van 15 juli) struikel ik over de lelijke verhalen. Schreeuwen en dope, delinquenten en natuurlijk de ‘chef’. Wat gaat er steeds mis als er over professionele keukens en de mensen daarin wordt geschreven? Alleen het zeer lawaaierige komt op straat te liggen en wordt, ook in De Groene, opgepikt. De documentaire Roadrunner die probeert uit te zoeken wat Bourdain ‘precies’ zocht in het leven lijkt me oersaai. Waarom? Omdat het volstrekt duidelijk is dat Bourdain zich schaart in de rij superego’s die zelfmoord plegen. Zoals chef Bernard Loiseau en chef Benoît Violier.

Het zijn mensen die naast het koken – want ook zij begonnen ooit te werken als koksmaat en vervolgens als kok – meer stimuli nodig hebben. Die stimuli worden hoofdzakelijk ingelost in de dialectiek van ‘how to star’ en verregaand conformisme aan de marktwerking. In dit geval van het horecabedrijf. Daar kun je natuurlijk knettergek van worden.

Koks zijn – ik heb het ervaren want ik kookte zo’n acht jaar in Nederland, Frankrijk en Italië – bijzonder gevoelige, aardige en mededeelzame mensen. Ze hebben voldoende aan de terugkerende klant, eter, lekkerbek. Met mijn eerste chef in Rotterdam, Gerhard Braun, deed ik in 1992 boodschappen voor het kerstdiner. Alleen producten van de beste kwaliteit werden ingekocht. Ik vroeg: wat gaat dat menu kosten? Gerhard zei: dat verkoop ik puur tegen kostprijs, ik ga de mensen met Kerst niet het vel over de neus trekken. Graag zie ik dat ze terugkomen in de loop van het jaar.

Ko Sliggers