Post week 31

De tegenstellingtussen noord en zuid

Ben je bereid de makkelijke aannames over Noord- en Zuid-Europa eens kritisch te bekijken, zoals gebeurt in De Groene van 9 juli, dan moet je je misschien ook afvragen of we überhaupt wel generaliserend kunnen spreken van een noord-zuid-tegenstelling. Europa kent arm-rijk-tegenstellingen, maar hebben die wel met noord en zuid te maken?

Ik ben indertijd op zoek gegaan naar de oorzaak van regionale verschillen, door te kijken naar karakteristieken van de economie in de diverse regio’s en de historische rode draad daarin. Er doken een paar veelzeggende patronen op. Zo bleek er grote hardnekkigheid te zitten in die verdeling van arm en rijk in Europa. Net als vandaag gold ook vroeger: hoe rijker het land, hoe sterker de middenklasse. In de Middeleeuwen waren de clusters van Vlaamse, Hollandse en Noord-Italiaanse handelssteden de rijkste regio’s van Europa.

Dit patroon blijkt samen te hangen met een onderliggend mechanisme dat zich steeds opnieuw manifesteert, iets paradoxaals. In regio’s die rijk zijn aan natuurlijke hulpbronnen – grondstoffen of vruchtbaar boerenland – blijkt de bevolking arm. De rijkdommen klonteren daar steeds samen bij een kleine elite. Maatschappelijke verhoudingen worden onvermijdelijk feodaal. Uitgesproken voorbeelden zijn Rusland, Noord-Duitsland, Zuid-Italië, Zuid-Spanje. Grondstoffen worden geoogst of gedolven en er worden soms halffabricaten van gemaakt. Het werk dat gedaan moet worden is gemiddeld van een eenvoudig niveau. Werknemers zijn er uitwisselbaar. Opdrachten of baantjes moeten je ‘gegund’ worden.

In regio’s waar natuurlijke hulpbronnen juist schaars zijn, staat een premie op kennis. Weten wie waar behoefte aan heeft, of hoe een grondstof kwalitatief verbeterd kan worden zodat die meer geld kan opbrengen, is cruciaal in de handel en productverdeling. Neveneffect in zo’n economie is dat elke slimmerik kan – en zal – proberen een niche te veroveren. Er is sociale mobiliteit. Niet tien maar honderd families maken met elkaar de dienst uit.

Wie deze twee sociaal-economische basismodellen eenmaal herkent, snapt hoe Venetië en Amsterdam zonder natuurlijke hulpbronnen rijk werden door handel. En dus ook waarom beide steden in hun bloeiperiodes bestuurd werden door een relatief brede elite van burgers. Anderzijds waren in Rusland, Roemenië, Bulgarije, Hongarije, delen van Polen, maar ook in Spanje, Zuid-Italië en Noord-Duitsland macht en bezit vanouds voor een smalle elite van grootgrondbezitters. Klassenstrijd broeit continu in zulke samenlevingen.

Wie deze patronen herkent, snapt dat de tegenstelling niet noord-zuid is, maar grondstoffen versus kennis. En daarmee: elite versus middenklasse. Het nare is dat dit oeroude krachtenveld zo moeilijk te veranderen is. In het denken over oplossingen van het arm-rijk-probleem in Europees verband zitten veel routineuze aannames. Bijvoorbeeld de gedachte: als die armere landen in Europa nou maar ‘even’ de wil zouden mobiliseren om aan een paar macro-economische knoppen te draaien, dan komt het vanzelf goed. Maar kan dat? Zijn er voorbeelden van regio’s waar dat goed werkte? Oplossingen zitten niet in het draaien aan de knoppen. Of in meer of minder subsidie geven. Sterker: subsidie houdt afhankelijkheid in stand. Dat leert de ervaring in Italië, dat al sinds de eenwording van het land, midden negentiende eeuw, bezig is het zuiden te ‘ontwikkelen’. Ja, de meest schrijnende armoede is er uiteindelijk verdwenen, maar is er structureel iets verbeterd?

Wie nu op de kaart van Europa de regio’s met zo’n feodale traditie groen zou inkleuren en de kennis- en middenklasseregio’s rood, zou zien dat groen Europa arm is, en rood Europa rijk. Die kaart zou ook illustreren dat het framen van het rijk-arm-probleem als een noord-zuid-tegenstelling niets bijdraagt aan begrip. Maar toch wordt hetzelfde recept steeds voorgeschreven. Het afgelopen decennium is Griekenland door de rijke eurozonelanden gedwongen tot hervormingen. Maar veranderde Griekenland al een beetje in een Denemarken of Nederland aan de Middellandse Zee? Is die benadering niet een vorm van paternalisme, of zelfs cryptokolonialisme? Ook de opstelling van Rutte en Hoekstra in het recente plan om de door corona zwaarst getroffen regio’s te helpen, komt opnieuw, en heel plat, neer op: ‘wie betaalt, die bepaalt’. Wil er een echte oplossing gevonden worden, dan moet die beginnen bij een heldere blik op de diepere oorzaak van regionale verschillen.

BERT BAKKER, auteur van Onbegrepen Europa: Nieuw licht op een eeuwenoude tweedeling