Post week 32

Weer gekruisigd

Cyrille Offermans legt in De Groene van 28 juli Kazantzakis langs de lat van moderne normen en waarden. Geen fair play lijkt mij. De in 1883 geboren Kazantzakis schreef over de onderdrukking van de Grieken door de Turken. Christus wordt weer gekruisigd moet spelen niet rond 1920 maar vóór de oorlogen van 1912-1913 toen de Balkan gezuiverd werd van Turken. Ik las dat boek, samen met Kapitein Michalis, in de lange zomer van 1961 na mijn eindexamen. Dat tweede boek, over de zoveelste opstand van Kreta tegen de Turken die eindigt in de zoveelste nederlaag en decimering van de mannelijke bevolking, had mijn voorkeur.

Wat die Nobelprijs betreft, hij werd negenmaal voorgedragen, evenzoveel gemiste kansen voor de betreffende jury’s. Kazantzakis hoort bij Nobelprijs-laureaten als Gulbranssen met z’n geslacht Björndal (die Noorse berenjagende herenboeren), Sjolochov met z’n Don Kozakken of een Pearl Buck met haar _Good Earth-_cyclus; allen blanke auteurs van hoogstaand romantisch werk met een seksuele moraal die een toets aan moderne lhbt-vriendelijke normen beslist niet zou doorstaan. Offermans’ anachronistische kritiek slaat door in een vorm van cultuurintolerantie die ons afsnijdt van onze historische wortels.

KLAAS MAAS

Miniatuurrealisme

In het zomernummer van De Groene schreef Christiaan Weijts een analyse over de ‘beperkte’ houdbaarheid van het ‘realisme’ in de hedendaagse Nederlandse romans. Hij stelt onder meer dat de hedendaagse schrijver in Nederland een miniatuurrealisme boven de grote greep van de verbeeldingskracht stelt. Weijts noemt wel een klein aantal romans van de schrijvers A.F.Th. van der Heijden en Harry Mulisch die opvallen door een ongebruikelijk on-Nederlands literair experiment en waardeert in dat opzicht ook de stilisten Nescio en A.L. Snijders. Hoewel zijn kritische betoog zeker belangrijk is, vraag ik me af of dit kleine groepje van on-Nederlandse schrijvers niet uitgebreid kan worden.

Ik denk bijvoorbeeld aan de schrijvers Menno ter Braak, Eddy du Perron en Simon Vestdijk. In het Nederlands-Vlaamse literaire tijdschrift Forum (1932-1935) hielden zij in de eerste helft van de twintigste eeuw reeds een kritisch pleidooi voor kwaliteit en vernieuwing in de Nederlandse literatuur. Eddy du Perron, hij had veel gereisd en kende de wereld, hekelde met essays en romans het behoudende literaire klimaat van Holland, terwijl Menno ter Braak opviel door een grote denkkracht en een kritische visie op politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. In zijn schrijverschap accepteerde hij geen compromis, hetgeen ten slotte tot uitdrukking kwam in zijn rigoureuze en zeer dramatische afwijzing van de Duitse bezetting. Simon Vestdijk ontwikkelde zich tot een van de belangrijkste schrijvers van de vorige eeuw. Hij bezat een universele en kritische geest, was zeer erudiet en een compleet schrijver. Hij had wel veel interesse voor de buitenlandse literatuur en gaf in dagbladen en literaire tijdschriften commentaar op verschenen boeken. In talrijke studies schreef hij over klassieke muziek, geneeskunde en psychiatrie. Zeer terecht werd Vestdijk een aantal keren kandidaat gesteld voor de Nobelprijs voor de literatuur en eenmaal genomineerd.

Misschien kan de inhoud van hun schrijverschap en boeken ons in deze tijd opnieuw inspireren, en komen wij dan los van het ‘onontkoombare eigene van de Nederlandse literatuur, de gelijkvormigheid van ons literatuurlandschap en de vele donkere kamertjes’.

WIM ADEMA

Goldhagen

Wat Daniel Goldhagens boek Hitlers Willing Executioners bij de verschijning in 1996 zo controversieel maakte, was dat hij niet enkel, als gebruikelijk, de nazi’s verantwoordelijk stelde voor de oorlogsmisdaden van 1939 tot 1945, maar de gehele Duitse bevolking. Het onderscheid tussen Duitsers en nazi’s bood na de oorlog de Duitse bevolking een welkome vluchtweg. Goldhagen was niet de eerste die moest boeten voor het afsnijden van de in Duitsland geliefde vluchtweg uit een verleden van afzichtelijke misdaden: al in 1988 werd de toenmalige voorzitter van de Duitse Bondsdag, Philipp Jenninger, voor soortgelijke opmerkingen uit de Bondsdag verjaagd.

In De Groene van 28 juli koos nu ook Joost de Vries partij tegen Goldhagens boek en de erin besloten conclusie. ‘Als “heel Duitsland” voor de vernietiging van de joden was, waarom probeerde de nazi-top die vernietiging zich dan te laten afspelen in stilte en uit het zicht van de bevolking’, zo vraagt hij zich af. Maar die vernietiging was in Duitsland, en daar buiten, helemaal niet geheim. Dat kon ook niet nu de uitvoering ervan miljoenen Duitse – en Oostenrijkse – handen vergde, ook die van de leden van Polizeibataillon 101, wier SS-commandant, volgens De Vries, ‘met tranen in zijn ogen’ de gruwelijke opdrachten uitvoerde waarvan Goldhagen gedetailleerd verslag doet en die een normaal mens niet met droge ogen kan lezen.

Joost de Vries zou er goed aan doen het in 2015 verschenen boek The German War van Nicholas Stargardt te lezen, waarin niet alleen de door Goldhagen beschreven misdadigheid van het tuig van de SS-bataljons wordt bevestigd, maar ook die van de aan het oostfront actieve Wehrmacht onder commandolieden wier inborst even misdadig was als hun namen chic.

‘Een duivels volk’ luidt de titel van het artikel van De Vries. De vraag die mij en anderen intrigeert is hoe een normaal volk in korte tijd in een duivels volk kon veranderen en na 1945 weer terug. Maar met die vraag zit De Vries niet.

H.H.M. CROMBAG