Post week 34

Ellen Vogel

In de mooie necrologie over Ellen Vogel (De Groene Amsterdammer van 13 augustus) schrijft Loek Zonneveld hoe Ischa Meijer in oktober 1970 de actrice in een recensie met de grond gelijk maakte. En verderop: ‘Niemand nam het trouwens voor iemand op.’ Dit is niet helemaal waar. Mijn moeder, Annie M.G. Schmidt, schreef een open brief in de Haagse Post waarin ze het opnam voor Ellen Vogel. Ik kan haar ingezonden brief zo snel niet vinden, maar ik herinner mij dat ze het over Ischa’s fotootje boven zijn artikel had en schreef over ‘dat gezichtje van een jongetje dat het fijn vindt om Vogeltjes hun vleugels uit te trekken’. Ischa schreef een woedende column terug waarin hij Annie (en en passant mij ook) aanviel. Bron: Anna van Annejet van der Zijl, pagina 294.

Flip van Duijn

De Grote Drie

In De Groene Amsterdammer van 6 augustus schrijft Joost de Vries over de Grote Drie in Letterenland: Mulisch, Hermans, Reve. Als lezer, als schrijver, als neerlandicus en als lesgever op een rsg vond ik veel meer schrijvers na 1945 belangrijk. Toch is de analyse van De Vries interessant, omdat deze aangeeft hoe de literatuur aan waarde (belangstelling) heeft ingeboet.

Literatuuriconen zijn vervangen door tv-mannetjes en -vrouwtjes die meestal discussie en kritiek vermijden, ook vaak zelf weinig hebben te melden. In de ogen van De Vries zijn schrijvers als de Grote Drie niet meer de maat der dingen zoals voorheen het geval leek. Als bewijs voor dit verschil tussen nu en de tijd van de Grote Drie haalt De Vries het Babyboomboek van Ronald Havenaar aan (Van Oorschot, 2015). Ik denk dat dit boek geen objectief beeld geeft van de babyboomers.

Ik ben net geen babyboomer, geboren in 1941, maar toch denk ik genoeg van die generatie te weten, aangezien ook ik in de jaren vijftig en zestig ben gevormd – actief in de maatschappij en passief door te lezen zoals Havenaar deed.

De ondertitel van het Babyboomboek luidt: ‘Wat ze lazen, wat hen vormde, hoe ze dachten.’ Volgens mij moet dat zijn: ‘Wat ik las, wat mij vormde, hoe ik dacht.’ Havenaar generaliseert, waar zijn keus van achttien romans (fictie) en achttien non-fictieboeken een toevallige is. Op die keus stoelt hij zijn theorie.

Voor hetzelfde doel kan ik willekeurig 36 andere boeken (fictie en non-fictie) uit dezelfde periode kiezen die ook belangrijk waren, en informatie geven over dezelfde jaren – ook een theorie beschrijven, die haaks op die van Havenaar staat.

De Vries neemt van Havenaar over: ‘De “geboortegolvers” verkeerden tussen bevrijding en beklemming, wat een verscheurd wereldbeeld opleverde.’ Ook hier zou de eerste persoon enkelvoud gebruikt moeten worden. De Vries: ‘Havenaar onderzoekt dit wereldbeeld aan de hand van 36 boeken die voor hem, en met hem veel generatiegenoten, “doorslaggevend” waren.’

Wat mij het meest stoort is het gebruik van literaire werken als non-fictionele producten, waarbij een gebrek aan literaire kennis en methode buitengewoon irritante uitspraken oplevert. Alsof al die achttien literaire werken autobiografisch-politieke ontboezemingen zijn. De meeste ontwikkelde babyboomers lazen literatuur als literatuur, niet als morele of therapeutische boodschap.

De laatste twee zinnen in Havenaars boek luiden: ‘De babyboomers moesten het doen zonder vast kompas. Een verwarrende combinatie van leeservaringen maakte hen tot een stuurloze generatie.’

Volgens mij heeft Havenaar bij zijn theorie 36 boeken gezocht die deze moesten staven. Zelfs dat is niet helemaal gelukt. Om Havenaars leeservaringen (zijn theorie) als uitgangspunt voor een tijdsgewricht (De Vries) te nemen is te eenzijdig subjectief.

Josse de Haan, schrijver (Friestalig), Hendaye, Frankrijk