De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Post week 35

Tinten rood?

Jaap Tielbeke schreef een mooi profiel over de mij tot op heden onbekende Karl Polanyi (De Groene, 20 augustus). The Great Transformation staat nu op de leeslijst. Toch één punt van kritiek: marxisten, anarchisten, sociaal-democraten en syndicalisten voor het gemak geschaard onder ‘allerlei andere tinten rood’. Daarmee stapt de auteur wel erg makkelijk over een ruime eeuw politiek-filosofische strijd en fundamentele onenigheid en stapt bovendien zelf in de val van het (naoorlogse) ideologische dualisme van links tegen rechts. Tot zover ik dat nu al kan beoordelen lijkt Polanyi juist iemand die met meer nuance naar deze zaken keek. Anarchistische bewegingen (zwart trouwens, niet rood) worden wel vaker weggemoffeld en gemarginaliseerd. In dit artikel valt dat des te meer op vanwege de interessante positie van Polanyi: in 1914 richtte hij al een liberaal(!)-socialistische partij op en was voorstander van het typische anarchistische idee dat arbeiders zelf de fabriek moeten bezitten. Ook het idee dat zowel voor Polanyi als voor Friedrich Hayek de vrijheid als uitgangsprincipe gold doet op z’n minst een anarchistische invloed vermoeden.

Het is natuurlijk jammer dat Polanyi zich niet kritisch opstelde tegenover de (moorddadige) wanpraktijken in de Sovjet-Unie en daarmee heeft hij het de NYT-recensenten wel erg makkelijk gemaakt om zijn werk weg te zetten als ideologisch vijandelijk in de vroege dagen van de Koude Oorlog. Dat betekent niet dat wij tegenwoordig geen duidelijk verschil meer hoeven te maken tussen tinten rood en tinten zwart en tussen links liberalisme (geel?) en rechts liberalisme (blauw?). Allemachtig, we hebben de hele regenboog. De enorme tegenstrijd tussen het vrijheidsdenken van anarchisten en de rode totalitaire bureaucraten van het communisme moet volgens mij duidelijker naar voren komen in een profiel over een man die zich door beide fronten liet beïnvloeden.

MENSO RAPPOLDT

Vermoord

Waanzinnig mooi profiel van Anton de Kom, van de hand van Alice Boots en Rob Woortman (De Groene, 30 juli). Meer zaken door helder licht beschenen, ook al zal over deze heldhaftige Surinamer het laatste woord hopelijk nog lang niet gezegd zijn. Eén punt stoort, hopelijk vele anderen naast alleen mijzelf, niet specifiek bij Boots en Woortman maar meer in het algemeen (ook in De Groene): het ontbreken van de glasharde term ‘vermoord’. Wie de dood in wordt gejaagd binnen een doelbewust systeem van marteling, mishandeling, onthouding van water, voedsel en hygiëne, is misschien ‘omgekomen’, maar zeker niet ‘gestorven’ of ‘overleden’. Dat geldt voor slavenschepen, plantages, concentratiekampen (in nazi-Duitsland, maar ook vandaag), gevangenissen onder louche regimes, moderne slavernij, de favela’s van Rio en talloze andere voorbeelden. Ieder die daardoor aan zijn einde komt is niet gestorven maar vermoord. Vluchtelingen aan ‘westerse’ grenzen nu, Anton de Kom in 1945.

YURI HALBERSTADT, Amsterdam

Wesseling

‘Europa is ook nooit zo welvarend geweest als toen het zich (…) van zijn meeste koloniën had ontdaan’, schrijft Raymond van den Boogaard in zijn sympathieke bespreking van het werk van H.L. Wesseling (De Groene, 13 augustus). Vul op de plek van ‘zijn meeste koloniën’ bijvoorbeeld ‘de Marshallhulp’ in om de valkuil in deze bewering te zien. Het ‘batig slot’ van het cultuurstelsel op Java heeft in de negentiende eeuw rechtstreeks de rekening betaald van grote infrastructurele werken in Nederland, waarvan wij nog steeds het nut ondervinden. ‘De wens enorme territoria geheel te controleren was eerder een belasting dan een voorwaarde voor de moderne wereldhandel’, gaat Van den Boogaard verder. Vervolgens voert hij dan Nederlands-Indië op als voorbeeld. En inderdaad volstond in de zeventiende en achttiende eeuw het afsluiten van contracten met lokale heersers meestal om de felbegeerde specerijen te bemachtigen; net als tussen 1830 en 1870 het cultuurstelsel om aan koffie, suiker, tabak en de verfstof indigo te geraken.

De grootschalige exploitatie van koloniën na 1870 is echter moeilijk voorstelbaar zonder een hoge mate van bestuurlijke, ruimtelijke en juridische controle. Dat heeft te maken met de volumevergroting van consumptieartikelen als koffie en tabak, maar vooral met de massale productie van industriële grondstoffen, zoals rubber, landbouwvezels en delfstoffen, denk aan tin op de eilanden Billiton en Banka. Niet alleen die plantages en mijnen, maar ook de aanleg van infrastructuur als spoorlijnen en diepzeehavens vroeg om ‘mobilisering’ van de ter plekke (niet) beschikbare bevolking én om grootschalige investeringen vanuit het ‘moederland’, die beschermd dienden te worden, al was het maar tegen andere Europese staten.

Ook de genoemde strijd tegen Atjeh past in dit kader: kaapvaart van dat sultanaat in Straat Malakka (die door de opening van het Suezkanaal Straat Soenda had vervangen als voornaamste vaarroute in de regio), waar ook de Britten last van hadden, dwong het gouvernement tot optreden. (Dreigend Brits ingrijpen werd afgewend met het afstaan van de Goudkust – het huidige Ghana.) Bovendien maakte het terugdringen van de Atjehse invloed exploitatie mogelijk van andere gebieden op Noord-Sumatra, zoals Deli (tabak) en olie-exploratie in het sultanaat Langkat – het begin van de multinational die thans Shell heet.

Misschien gaat Wesselings stelling over de kosten en baten van het moderne imperialisme op voor de uitgestrekte Franse koloniën in (Noordwest-)Afrika; voor Indonesië lijkt ze niet te kloppen.

EMANUEL SCHULER, Zeist