Post week 37

Anton Heyboer

Bij kunstenaars als Caravaggio, William Blake of Van Gogh blijkt schizofrenie het maken van meesterwerken niet in de weg te hebben gestaan, maar omdat Anton Heyboers werk ‘onder dwang ontstond’, zoals Koen Kleijn het verwoordt (in De Groene van 7 september), ‘behoort zijn beeldwereld niet tot de kunstgeschiedenis’ (Rudi Fuchs). Ik ben benieuwd hoe de kunstgeschiedenis daar over vijftig jaar over denkt. Jammer dat op de tentoonstelling de laatste 29 jaar van zijn werk niet aan bod komt. Ik zie Appel en Heyboer als de belangrijkste naoorlogse Nederlandse kunstenaars en verheug mij al op een aantal bezoeken aan het Gemeentemuseum.

JOOST VAN DEN TOORN, beeldend kunstenaar

Langer leven: een rampscenario?

Dorien Pessers schetst (in De Groene van 7 september) de rol van genvervanging in de vooruitgang in de medische biotechnologie. Sommige gevolgen van die genetische modificatie klinken nogal futuristisch, maar een levensverwachting tot 150 jaar lijkt binnen bereik te liggen. Pessers beschrijft een aantal ethische complicaties en vraagt zich terecht af of we zo’n maatschappij werkelijk willen.

De toename van de gemiddelde levensduur is al enkele keren in het nieuws geweest, maar tot nu toe zonder aandacht voor de groei van de bevolking die dat met zich mee zal brengen. Stel dat vanaf 2025 inderdaad een levensverwachting tot 150 jaar kan worden gerealiseerd. Dan zal Nederland, bij gelijkblijvend geboortecijfer, vijftig jaar later op weg zijn naar de dertig miljoen inwoners. Niet alleen steden en dorpen groeien dan, ook de oppervlakte aan verkeerswegen, land- en tuinbouw en veeteelt. Al gauw zullen natuurgebieden het kind van de rekening worden. Willen we dat? Zo niet, zou dan een éénkindpolitiek een oplossing kunnen zijn? Of beperken we het aantal levensverlengende ingrepen door een hoge prijs? Waar kiezen we voor? Kunnen we die bevolkingsgroei überhaupt bekostigen in een situatie met een hoog werkeloosheidspercentage (vanwege robotisering)? In Nederland zullen we het voedselprobleem wellicht kunnen vermijden. Maar wereldwijd zullen de huidige hongergebieden groeien. De grotere energiebehoefte zal de pogingen om de opwarming van de aarde te beperken vermoedelijk doen stranden. De dan onvermijdelijke klimaatverandering zal op veel plaatsen ongenadig toeslaan. Zijn we bereid onze kinderen en kleinkinderen een rampscenario te bezorgen voor een langer leven? Willen we dat werkelijk?

Het is van groot belang dat de discussie over strategieën en alternatieven start voordat we midden in de problemen zitten. Mag ik de redactie van De Groene uitnodigen om deskundigen op de relevante terreinen te interviewen en daarover te publiceren?

A.P. KALMA, Harlingen

Vormaanbidders

Geheel vervuld van Menno ter Braak kwam ik eind jaren zestig naar Amsterdam om er Nederlands te studeren. Maar helaas voor mij: Ter Braaks Vent bleek uit de mode, de Vorm was (weer) in. Hét blad in die jaren was het tijdschrift Merlyn (1962-1966) en de enig juiste manier om literatuur te lezen was de door Merlyn geïmporteerde close reading-methode. Biografie van de auteur? Niks mee te maken! Tijdgeest waarin het geschreven werd? Niks mee te maken! Een schrijver is een (woord)kunstenaar en een kunstenaar worstelt om de enig juiste vorm vinden. Het ging dus – u begrijpt het al! – om de Vorm. Heel goed lezen dus, want alles betekende wat: de hoofstukindeling, het leestekengebruik, het vertelperspectief, de verteltijd, de vertelde tijd.

In De Groene roeren de vormaanbidders nog flink de trom. Na Offermans (De Groene, nr. 32) Marja Pruis bijvoorbeeld – schrijvend over Geschiedenis van geweld van Édouard Louis – en ‘geïntrigeerd door het getrapte vertelperspectief’.

Groene-redacteuren: ik lees een progressief gekleurd weekblad (Neerlands enige interessante weekblad volgens mij) en dat lees ik niet als de neerlandicus die ik ooit ‘per ongeluk’ geworden ben. Dat lees ik als maatschappelijk betrokken burger. Ik zeg niet dat het allemaal onzin is, ik zeg niet dat de Vorm er niet toe doet in de (literaire) kunst, maar geloof mij (na bijna veertig jaar leraarschap en vijftien jaar lidmaatschap van een ‘herenleesclub’ met zeven hoogopgeleide heren): de gewone lezer, en dat zijn we allemaal – op een paar malle neerlandici na misschien – wil in een recensie wél lezen of de schrijver een moeizaam liefdesleven heeft gehad, of hij communist (geweest) is, of en hoe hij beïnvloed is door Kant of Nietzsche… Dat Poe’s beroemde verhaal De put een bijzonder tijdsverloop heeft en maar op één plek speelt (die put dus), who cares?

‘Als je een vis wilt vangen, moet je naast de sloot gaan staan. Niet erin’, zei Multatuli al toen hij een jongeman met literaire ambities afried om letteren te gaan studeren. Willem Paap luisterde en werd jurist. En schrijver van Vincent Haman, die vergeten meesterlijke satire op de vormaanbidders bij uitstek: de Tachtigers.

MARTIN DE KONING, Bretagne