Van de Wetering

Aan het slot van zijn in memoriam voor Ernst van de Wetering (in De Groene van 26 augustus) karakteriseert Koen Kleijn diens onderzoek naar het oeuvre van Rembrandt als ‘een zuivering, het onderuithalen van oude eigengereide betweters’. Dit doet onrecht aan eerdere, eminente Rembrandt-kenners, onder wie de integere, bescheiden Groningse hoogleraar in de kunstgeschiedenis Horst Gerson (1907-1978). In zijn in 1969 gepubliceerde herziene editie van Bredius’ oeuvre-catalogus wist hij het aantal aan Rembrandt toegeschreven werken drastisch te reduceren, dit tot woede van meer traditioneel ingestelde, buitenlandse vakgenoten. Met zijn oordelen manifesteerde Gerson zich destijds als de belangrijkste Rembrandt-kenner ter wereld. Zijn faam werd echter vervolgens in de schaduw gesteld door de ambities van de deelnemers aan het Rembrandt Research Project, die een intersubjectieve onderzoeksmethode voorstonden. Dit project is uitgelopen op een eenmanszaak van Ernst van de Wetering, aan wie nu de rol van pionier wordt toebedeeld. Zonder aan diens verdiensten af te doen, willen wij graag de aandacht vestigen op de pioniersrol die Gerson in een cruciale fase van het Rembrandt-onderzoek heeft gespeeld.

BERNHARD RIDDERBOS, GARY SCHWARTZ, HENK VAN OS

Newton

Is dat nou zo? Dat we nog helemaal vast aan Newton zitten (in De Groene van 9 september)? Dat nu pas het besef begint door te dringen van de noodzaak jezelf, de mens, als onderdeel van de natuur te zien? Dat het natuurbeeld onderdeel moet worden van de politiek en de economie? Ik vind dat te pessimistisch gesteld, hoezeer ook ik een radicale omwenteling bepleit. Een dergelijke visie maakt al meer dan honderd jaar deel uit van een politieke benadering. Neem bijvoorbeeld de antroposofie, waar ik als denkwijze als zodanig overigens geen aanhanger van ben maar die in haar invloed en uitwerking wel degelijk breder is, méér dan Steiner.

Om bij mijn eigen vakgebied te blijven, de landbouw. Zowel in de biologisch-dynamische als later in de beweging van de ecologische landbouw speelt het gewenste inclusieve natuurbeeld een hoofdrol en wordt ze niet alleen politiek maar ook economisch uitgewerkt. Koester je successen, maar dat is een praktisch-strategische en geen filosofische opmerking.

GERT JAN JANSEN, Twello

Kiesdrempel

De analyse van de formatieperikelen door Coen van de Ven (in De Groene van 9 september) lijkt mij adequaat. De meest voor de hand liggende oplossing ontbreekt echter. En dat is het invoeren van een kiesdrempel van bijvoorbeeld vijf procent. Daarmee zal de drang tot profileren, die zo verlammend werkt, afnemen en kunnen we weer terug naar een politiek speelveld van, laten we zeggen, tien partijen. Dat heeft niets met beknotting van keuzevrijheid te maken maar alles met het naar behoren functioneren van de democratie. Wie deze kiesdrempel niet haalt heeft simpelweg onvoldoende steun in de samenleving. In de meeste lidstaten van de Europese Unie is deze les door schade en schande geleerd, maar in Nederland (nog) niet. Oeverloze debatten, dagelijks gekrakeel en dreigende onbestuurbaarheid zijn nu ons deel. Verhoging van de kiesdrempel moet overigens snel gebeuren, want we zijn niet ver meer verwijderd van een Tweede Kamer waarin een aanzienlijke hoeveelheid kleine fracties belang heeft bij een status-quo die polarisatie in de hand werkt.

ARMAND LEENAER, Heerlen

Kanselier Merkel

Op de voorzijde van De Groene van 9 september staat een tekening van Angela Merkel die in Duitsland over enkele weken afscheid neemt als Bundeskanzlerin. En tevens is daar de vraag te lezen of het niet beter kan, dat filosofie-examen over 44 mannen, vier vrouwen en een filosoof van kleur… Dat is een terechte vraag, zeker. Maar zou u daar dan tenminste ook niet zelf constructief aan meewerken?

Ik wil hiervoor ook naar Duitsland wijzen, een land dat tevens bekendstaat om vooraanstaande filosofes en filosofen. Daar is men (wat kan men anders verwachten van een denkende natie) overgestapt op het consequent steeds noemen van én vrouwen én mannen. (U weet ook dat het Duits een zustertaal van het Nederlands is.)

Als u zich nu druk maakt over de weinige vrouwen die bij dat filosofie-examen aan bod komen, zou u dan nu niet eens het voorbeeld geven door bij het gebruik van functiebenamingen te stoppen met uitdragen dat de man de norm is? Ook de Duitse functiebenaming van Merkel had u al jaren beter, vrouwvriendelijker kunnen vertalen. (En ja, ik ken dat sprookje dat woorden die mannen tonen genderneutraal zijn.)

Merkel was in Duitsland de bondskanselierster. De persoon die haar opvolgt zal, waarschijnlijk, een man zijn, gezien de uitslag. Dus dan kunt u terecht nog een aantal jaren van kanselier spreken. Maar in de jaren tot een volgende kanselierster hebt u dan ook de gelegenheid om vast te wennen aan de gedachte dat u ook in het Nederlands vrouwen direct in beeld kunt brengen met de woorden die daarvoor vanzelfsprekend in onze taal bestaan.

MARIA VAN DE LOOVERBOSCH, Houten