NV Weekblad De Groene Amsterdammer

Duitse verkiezingen

In het voor het overige informatieve artikel over de Duitse verkiezingen (in De Groene van 23 september) beschrijft Merlijn Schoonenboom Die Linke als de radicaal-linkse afsplitsing van de SPD. Dit is niet correct. Die Linke is in 2007 opgericht als fusie van Die Linkspartei en de Wahlalternative Arbeit & Soziale Gerechtigkeit (WASG). Die Linkspartei kan gezien worden als de erfgenaam van de Oost-Duitse regeringspartij SED. De leden van de WASG hadden diverse achtergronden: teleurgestelde vroegere SPD-leden, oud-leden van de (West-)Duitse Communistische Partij, aanhangers van de christelijke sociale leer. Dat oud-SPD-leider Oskar Lafontaine enige tijd gezichtsbepalend is geweest voor Die Linke doet niets af aan de diverse samenstellende delen van deze partij.

HANS KOENEN, Amsterdam

Armenzorg

Uit het interview met Amma Assante (in De Groene van 23 september) blijkt dat het huidige socialezekerheidsstelsel steeds meer trekken gaat vertonen van de traditionele liefdadigheid. Zo zijn de denkbeelden over armlastigen nauwelijks veranderd. Ze worden door velen nog steeds als profiteurs gezien die wel kunnen maar niet willen werken. De Participatiewet stelt eisen aan de kleding die mensen bij sollicitaties dragen en soms moet een uitkeringsgerechtigde bewijzen dat hij of zij echt in hulpbehoevende omstandigheden verkeert, zoals die vrouw die gedwongen wordt haar stofzuiger naar de Sociale Dienst te brengen om te bewijzen dat die echt kapot was.

Met soortgelijke voorbeelden werd ik geconfronteerd toen ik bezig was met een onderzoek naar de negentiende-eeuwse armenzorg op het Zeeuwse platteland. Zo werd een bedeelde in Goes, die in het bezit was van een hondje, door het armbestuur op het matje geroepen omdat men ‘aan mensen onderstand verleende, en niet aan dieren’. Van een andere klant werd de uitkering prompt ingetrokken, omdat het armbestuur ‘ter ore’ was gekomen dat men hem een keer had zien fietsen en aan een dergelijk luxe vervoermiddel mocht een hulpbehoevende zijn geld niet uitgeven. Het zijn slechts enkele voorbeelden waaruit duidelijk wordt dat de armen van toen net als de bijstandsgerechtigden van nu als klaplopers worden gezien en daarom onder permanente curatele moeten staan. We zijn weer terug bij af.

ALBERT KORT, Kapelle

Het publieke discours

In zijn essay over het boek Amor fati van Abel Herzberg vraagt Maxim Februari zich in De Groene van 23 september hardop af: hoe voorkom je je eigen morele verval en hoe zorgt een samenleving ervoor niet besmet te raken door moreel geweld dat rondwaart?

En verderop in zijn essay: ‘Het probleem der moraliteit is dat we nooit precies weten wat de norm onder allerlei uiteenlopende omstandigheden inhoudt en hoe je haar moet toepassen. En daarom is het zo belangrijk erover te blijven praten, er een levende omgang mee te behouden, casuïstiek te bedrijven en je gewetensfunctie niet uit te besteden aan anderen of aan machines.’

Als ik dit lees, denk ik aan Jürgen Habermas, met name het eerste deel van de laatste zin, ‘erover te blijven praten’, oftewel het publieke discours als basis voor de vormgeving van de normering gebaseerd op redelijke argumenten. Met dat laatste bedoel ik uitdrukkelijk geen complottheorieën.

Het belangrijkste boek van Habermas was zijn Theorie des kommunikativen Handelns (1981), waarin hij stelt dat er naast de traditionele instrumentele rationaliteit ook nog een communicatieve rationaliteit bestaat. Volgens Habermas is het noodzakelijk dat er voor een optimale publieke sfeer een ruimte moet zijn waarbinnen rationele discussies kunnen worden gevoerd, vrij van dwingende machten. De uitkomst van een dergelijke discussie kan dan de vorming van normen zijn.

Kijken we naar wat er nu aan de hand is in het corona-non-debat, dan zien we dat er aan de ene kant sprake is van doel/middel-rationaliteit bij het demissionaire kabinet en specifiek De Jonge waar het zoiets als de instelling van de QR-code betreft, anderzijds is er sprake van complottheorieën waar het de ideeën van mensen als Baudet betreft.

Als je zijn verhaal in de Kamer beluistert, denk je eerst nog dat er best wat in zit, in zijn kritiek op het coronabeleid. Hij wijst er immers op dat er geen duidelijkheid is over de geldigheidsduur van de vaccinaties, op schijnveiligheid en het risico van een surveillancestaat. Daar kan ik me nog in herkennen, want ook ik heb met onze Stichting Bescherming Burgerrechten gewezen op de gevaren van een te grote informatiemacht van de staat ten opzichte van de privacy van de burger.

Maar als hij dan naadloos overgaat in het wij-zij-denken en dat het speelveld is veranderd omdat de tegenstander een andere aanval heeft ingezet, gelardeerd met verhalen over de tegenstander die altijd maar weer, al vijftig jaar, bij bezwaren over massa-immigratie met de holocaust kwam aanzetten, de holocaust die hij dan tussen aanhalingstekens plaatst, dan gaan dus mijn haren overeind staan.

Terug bij af, denk ik dan.

JOYCE HES