Post week 41

Artsenbrief

Het artikel over de brandbrief van een groep artsen over het coronabeleid van de regering (De Groene, 1 oktober) heeft de kop ‘Wij weten hoe het zit’. Ik vind dit onjuist, omdat de artsen in kwestie nu juist niet claimen dat ze de waarheid kennen. De toonzetting van de brief is een verademing in het sterk gepolariseerde debat over het door de regering gevoerde coronabeleid. Ze uiten hun respect voor het optreden van de overheid in het begin van de crisis, en spreken hun vertrouwen uit in de integriteit van het OMT. De brief wil vooral de vraag opwerpen of de middelen (de anderhalvemetersamenleving en het geheel of gedeeltelijk sluiten van instellingen en bedrijven) niet erger zijn dan de kwaal vanwege de enorme bijkomende schade, en of er geen ander beleid met even goede of betere effecten mogelijk is. De opstellers en ondertekenaars neigen duidelijk naar ‘ja’. Ze onderbouwen dat met documenten uit de hoek van de medische praktijk en het medische onderzoek, maar claimen geenszins ‘te weten hoe het zit’.

Dit artikel maakt de briefschrijvers en ondertekenaars verdacht door veel aandacht te besteden aan volgens de schrijver twijfelachtige figuren die ondertekenden. Ook zouden de artsen te veel deskundigheid claimen. Hebben alleen virologen en epidemiologen recht van spreken? Die werken in settingen die verder verwijderd zijn van de werkvloer van de gezondheidszorg, waar de gevolgen van het beleid direct zichtbaar zijn.

De briefopstellers krijgen ook het verwijt dat die terecht is gekomen in de wereld rond Viruswaarheid. Mij lijkt dat de discussie minder gepolariseerd zou zijn geraakt als de media wel waren ingegaan op de fundamentele vragen die het overheidsbeleid oproept. Dat zij dat niet gedaan hebben voedt het wantrouwen: ze zouden gekocht zijn, of sterk onder druk gezet. Ik wil deze conclusie niet trekken, maar vraag me wel af welke processen hiertoe geleid hebben.

SIETSKE ROEGHOLT

Madame de Staël

Veel van de problemen waar de Atlantische revolutionairen mee worstelden zijn nog steeds de onze, aldus René Koekkoek (De Groene, 24 september). Dat is, zoals blijkt uit zijn voortreffelijke essay, ongetwijfeld juist, maar ik vraag me af of dit bijvoorbeeld ook niet geldt voor het klassieke Athene, waar in de vijfde en vierde eeuw voor onze jaartelling discussies werden gevoerd over de politiek en de inrichting van de maatschappij. De directe democratie in Athene was vergelijkbaar met de huidige acclamatiedemocratie, zoals we die in de VS, India, Polen en Hongarije kennen, waar mensenmassa’s op basis van sentimenten en hartstochten reageerden, besluiten overhaast werden genomen en die aan populisten vrij spel bood. In het oude Athene konden gehate politici door middel van het ‘schervengericht’ worden verbannen en waren het demagogen als Kleon en Alcibiades die het ‘volk’ wisten op te zwepen tot onverantwoorde handelingen die uiteindelijk tot de ondergang van Athene en van de democratie zouden leiden.

De filosoof Plato was als Atheens burger getuige van dit alles. Net als Madame de Staël die de ontsporing van de Franse Revolutie probeerde te verklaren, moest hij weinig hebben van inspraak van het ‘gewone’ volk. Van een volksdemocratie gruwde hij. Slechts een regering van wijze, verlichte mensen – een soort aristocratie van de geest – zou volgens Plato de samenleving kunnen beschermen tegen het optreden van volksmenners. Net als de hedendaagse hoogopgeleide antipopulisten keek hij neer op het niet-verlichte deel van de bevolking dat in zijn ogen niet in staat was verstandige beslissingen te nemen. En net als de negentiende-eeuwse liberale denker Guizot geloofde hij in de ‘soevereiniteit van de rede’.

Het is duidelijk dat reeds in Plato’s opvatting een gevaar van extreme polarisatie is gelegen: een zelfbenoemde verlichte groep personen die zich op de rede beroept, sluit de in hun ogen niet-verlichte mensen uit.

ALBERT KORT, ’s- Heer Hendrikskinderen