Post week 44

500 jaar Reformatie

Het artikel over Maarten Luther van Casper Thomas (in De Groene van 19 oktober) is een verademing bij alle clichés die de ronde doen bij de herdenking van 500 jaar Reformatie. Voor een beter begrip van aflaten bij niet-katholieken is een aanvulling welkom. De aflatenpraktijk heeft haar wortels niet in de Middeleeuwen of bij een paus (hetgeen Thomas ook niet beweert), maar in de kerk van de eerste eeuwen. Boetewerken die zondaars voor straf moesten doen na hun bekering – een lange tijd vasten of op bedevaart gaan – konden om praktische redenen omgezet worden (commutatio) in het geven van aalmoezen, als men bijvoorbeeld moest werken of voor zijn gezin zorgen. Dit is de bron waaruit de latere aflatenpraktijk ontstond. Dus niet de bouw van kerken of de Sint-Pieterskerk.

Ten tweede is het afwijzen van bidden/offeren voor de zielenrust van overledenen iets waarmee Luther zich niet alleen tegen het westers christendom afzette, maar ook tegen de hele oosterse orthodoxie. Dit maakt de breuk die ontstond nog groter. Geldelijke aflaten bestaan niet meer. Aflaten als zodanig nog wel. Hun werking is afhankelijk van het sacrament van de biecht. Aflaten vergeven geen zonden. Ze helpen het kwaad dat gedaan is (én beleden) uit te boeten. Iemand als Thomas van Aquino gaf al aan dat het verdienen van een aflaat geen vervanging is van persoonlijke bekering, maar een welkome aanvulling als medicijn ‘omdat wij zondiger zijn dan wij denken’.

HARM SCHILDER,Tilburg

Slavenhandel

Het is jammer dat in het verder sterke artikel van Rutger van der Hoeven over vernieuwend onderzoek naar het Nederlands slavernijverleden (in De Groene van 26 oktober) de Afrikaanse zijde van de trans-Atlantische slavenhandel er bekaaid vanaf komt. Onderzoeker Matthias van Rossum stelt zelfs dat mensen in Afrika tot slaaf werden gemaakt omdat Europeanen hen nodig hadden voor de plantage-economie in Amerika.

Dat is onjuist. Voordat de Portugezen en later de Nederlanders op West-Afrika voeren, verkeerden veel mensen daar al in slavernij. Afrikaanse koopmannen boden hen als handelswaar aan de Europese zeevaarders aan. De Europeanen, kortom, tapten in op een systeem van slavernij en slavenhandel dat al eeuwenlang in West-Afrika bestond.

Dat is van belang voor een goede beoordeling van de Nederlandse geschiedenis in West-Afrika én voor een ‘zwart perspectief’ op de slavernijgeschiedenis: Afrikanen waren niet allemaal willoze slachtoffers. Afrikaanse (slaven)handelaren handelden met Nederlanders en andere Europese (slaven)kopers op voet van gelijkheid.

MARCEL VAN ENGELEN,
schrijver van ‘Het kasteel van Elmina’

Verplicht museumbezoek

Wie de krant leest kan niet buiten bekende namen van plaatsen en personen. Om te snappen waar het over gaat zijn die onmisbaar. Hetzelfde geldt voor wie zich door de wereld van de kunst, de techniek, de wetenschap of waar dan ook een weg wil banen. In haar verwijt aan het adres van de regering een ‘visie op te leggen’ door bezoeken aan het Rijksmuseum verplicht te stellen (in De Groene van 26 oktober) gaat Elsbeth Etty voorbij aan dit didactische gegeven. Voor wie is ingevoerd in de wereld van de kunst is niets zo ergerlijk als een voorgeschreven museumbezoek. Voor wie dat niet is, en daar zijn er meer van dan men zich vaak realiseert, is zo’n introductie, mits met een eigen duiding, invulling, een voorwaarde om kennis te maken met de wereld van de kunst.

Dat de staat je tot zoiets zou verplichten (niet mijn idee maar ook geen doodzonde) is minder vergezocht dan het lijkt. Waarom zou, wat geldt voor taal- en rekenonderwijs, niet mogen gelden voor cultuur? Daarnaast verbaast het mij dat Etty er gemakshalve van uitgaat dat globalisering (van in dit geval de kunsten) een vanzelfsprekend ideaal zou zijn. ‘Alle culturele topinstellingen zijn geglobaliseerd en internationaal’, schrijft zij. Vanuit een westers perspectief bezien, dat wel. Westerse moderne kunst vind je, inclusief imitaties, in alle moderne wereldsteden. Maar hoe gelijkwaardig aan de ‘onze’ is de Chinese, Afrikaanse of Indiase topkunst opgesteld in onze musea? Is de eigen kunst verheffen tot ‘geglobaliseerde kunst’ niet net zo verwerpelijk als het zich afsluiten voor andermans kunst? Als we cultureel minder bedeelde schoolkinderen het Rijksmuseum een desnoods verplicht bezoek onthouden, over welke ‘vrijheid’ en ‘open samenleving’ hebben we het dan? Leren we ze dan niet juist dat we 1. onze kunstuitingen ten voorbeeld moeten stellen aan de wereld en 2. dat kunst an sich niet de moeite van een politieke keuze waard is?

GUIDO EVERS, Amstelveen