Opheffer

Ik volg hem al jaren, niet zonder waardering. Maar ik zag en zie Opheffer verrechtsen. Hij werd extremer, en zoals dat het geval is met hedendaags extreem-rechts uit zich dat in negatieve kritiek op de in onze parlementaire democratie optredende politici en hun par- tijen. Vooral linkse partijen moeten het ontgelden, waarbij hij niet nalaat regelmatig te vermelden dat hij vroeger op allemaal heeft gestemd. In dat proces van verrechtsing nam ook zijn islamfobie toe. Na de moord op zijn vriend Theo van Gogh nam hij de toenmalige Amsterdamse burgemeester Job Cohen bij voortduring in zijn columns haatdragend op de korrel vanwege diens wens om islamitische en andere Amsterdammers bij elkaar te houden. Gelukkig voor zijn volgers ging deze fixatie op den duur weer over.

Aandachtige lezers, zoals ik, zagen hem echter wel steeds verder naar wildersiaanse en bosmanische opvattingen verschuiven. Veel Theodorus-volgers gaan ervan uit dat het een provocatieve stijlfiguur is, maar ik denk inmiddels dat we hem in zijn extreme verrechtsing serieus moeten nemen. Zo ging hij Wilders verdedigen tegen de aantijging dat de man een nazi of een fascist zou zijn. Dat was voor niemand nodig, want iedereen die deze verderfelijke ideologieën een beetje kent, weet dat Wilders natuurlijk geen van beide is. Opheffer heeft de redenering ech- ter nodig om zijn laatste schuldgevoel en twijfel te onderdrukken. In zijn laatste column (De Groene, 29 oktober) gaat hij zelfs zo ver om zich af te vragen hoe erg SS de pvv is. Om vervolgens te stellen dat het wel meevalt.

Hij haalt zijn studiegenoten aan als die erop wijzen dat intellectue- len in de jaren dertig een overstap naar de nazi’s maakten, net zo als zij nu een gang naar de pvv over- wegen. Maar wie – om in de metafoor te blijven – stormtroepers in de vorm van Steenbergse hooligans bezig heeft gezien, begrijpt dat Opheffer zijn twijfel in zijn laatste zin laat verdwijnen in cynisme.

CEES VAN STAAL

Onzichtbare mensen

Helemaal verdiept in het onwaar- schijnlijk prachtige boek van Atticus Lish, Preparation for the Next Life, lees ik tussendoor in de bijlage over Crossing Border (De Groene, 29 oktober) het stuk van Graa Boomsma. Verklapt hij het einde van het verhaal! Nou ja! Ik begrijp zijn enthousiasme, maar dat is toch wel een beetje jammer.

ELISABETH DE HAAN

Klimaatverandering

Het speciale nummer ‘Hoe lossen we de problemen van de toekomst op?’ (De Groene, 15 oktober) over de milieukwestie bevat prikkelende bijdragen. De grote Climate Change-conferentie van de Verenigde Naties, die in Parijs vanaf 30 november plaatsvindt, dwingt automatisch tot meer aandacht.

Het nummer opent met een citaat uit Dagboek 1966-1971 van de Zwitserse schrijver Max Frisch. Het citaat betreft de moeilijk te schatten noden van toekomstige generaties. Het valt te prijzen dat de redactie zo ver terugkijkt en historisch besef toont. Jammer is echter dat cruciale publicaties over de milieukwestie uit de tijd van Frisch in het gehele Groene-nummer geen aandacht meer krijgen. Ze lijken uit het geheugen van nu te zijn verdwenen.

Ik noem enkele onderzoeken die een grote impact hadden – essentiële schakels in de discussie rond het huidige milieuprobleem. Allereerst het artikel van Garrett Hardin in Science uit 1967, The Tragedy of the Commons. Deze Amerikaanse bioloog behandelt zeer overtuigend de catastrofe van de wereldwijde bevolkingsgroei en de impact op het milieu. Niet veel wetenschappelijke artikelen zijn zo vaak geciteerd.

Ongeveer te zelfder tijd ver- scheen de baanbrekende bijdrage van de aan de London School of Economics verbonden E.J. Mishan, The Costs of Economic Growth. De studie heeft destijds velen aan het denken gezet. Mishan heeft een sterke impuls gegeven aan de welfare economics, waarbinnen het dogma van economische groei sterk wordt gerelativeerd.

Van fundamentele betekenis was ook het rapport van de commissie-Brundtland (1987). Deze commissie, door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties in 1984 ingesteld, heeft een eminente bijdrage geleverd aan het denken over wereld- wijde (on)gelijkheid en armoede en tal van klimaatproblemen. Zij lanceerde ook de definitie van duurzame ontwikkeling die tot op heden gangbaar is gebleven. Uniek was daarbij dat een zittend premier van een westers land (Noorwegen) met een imposante staat van dienst de politieke moed had (en de ruimte kreeg) deze commissie te leiden. In relatief korte tijd werd een indrukwekkend rapport samengesteld. Ook Our Common Future verdiende ruim aandacht in de Groene-special.

MAARTEN MENTZEL