Post week 47

Persoonlijke waardigheid

In het essay ‘Tegen de stroom’ pleit Ernst Hirsch Ballin (De Groene van 29 oktober) voor erkenning van ieders persoonlijke waardigheid in zijn of haar concrete levenssituatie, in de staat en de rechtsorde waar zij of hij thuis is. Wie kan daar tegen zijn? Hij verzuimt echter te vermelden dat binnen die levenssituatie, staat of rechtsorde juist dat wat hij fundamenteel acht met elkaar strijdig kan zijn. Niet alleen binnen het universeel recht van persoonlijke waardigheid is er sprake van verscheidenheid, maar evenzeer bij fundamentele rechten onderling. Zo kan het ene mensenrecht, vrijheid van meningsuiting, in strijd komen met dat andere mensenrecht, vrijheid van godsdienst.

Dat ondervond Hirsch Ballin in een vorig leven als minister van Justitie. De cartoonist Gregorius Nekschot publiceerde onsmakelijke cartoons over de profeet op zijn website. In de vroege uren lichtte een Swat-team hem van zijn bed, terwijl die politieactie even onnodig als intimiderend oogde, ja zelfs in strijd was met de persoonlijke waardigheid van Nekschot. Een uitnodiging door de politie en de officier van justitie om op een christelijk tijdstip op het bureau te verschijnen, had hier meer voor de hand gelegen. Toch keurde Hirsch Ballin de inzet van het Swat-team niet af, terwijl een goed en pittig gesprek met de cartoonist had volstaan.

De strafzaak tegen Nekschot werd uiteindelijk door het Openbaar Ministerie geseponeerd. De beledigde moslims waren blij: ‘Zie je wel, de cartoons waren strafbaar.’ Nekschot was op zijn beurt ook blij: ‘Ik hoef de rechtszaal niet in, mijn anonimiteit is gewaarborgd en dus blijven bedreigingen mij bespaard.’ Maar bovenal laat deze zaak zien hoe verdomd lastig het is om een ethisch begrip als menselijke waardigheid praktisch toe te passen bij het oordelen over een concreet geschil. Menselijke waardigheid is dus een minder vast ankerpunt dan Hirsch Ballin denkt.

Paul van Grinsven, Haarlem