Thuis in Oss

‘Bij Thuis in Oss wonen gevluchte Oekraïners samen met asielzoekers. Uniek. En het werkt’, aldus Irene van der Linde boven haar artikel in het kader van 10 x goed nieuws in De Groene van 1 december.

Wij wonen vlak bij Oss. In 2015 leidde een toevallige ontmoeting met een toen 23-jarige Syrische asielzoeker Nourhan, die in de noodopvang verbleef, tot een hechte band. In september jl. maakten wij in de hier vlak bij geopende noodopvang kennis met een jezidi stel, dat is gevlucht voor de genocide in Noord-Irak. Mede vanwege de moeizame communicatie riepen wij de hulp van Nourhan in. Hij ondernam direct actie. Als lotgenoot bleek hij hen veel beter te kunnen helpen dan wij. Al bij de eerste ontmoeting schonk Nourhan het stel twee fietsen, hetgeen in zijn ogen ‘heel normaal’ was. Van der Linde citeert Angelo Schuurmans die op Leros vluchtelingen hielp: ‘Mensen waren aangewezen op andere mensen.’ Daar draait het feitelijk in het artikel om.

Is dat uniek? Nee! Volgens mij zijn statushouders als voormalige lotgenoten de ideale mensen om asielzoekers te helpen. Dat ‘het werkt’ in Oss is mede te danken aan de positieve houding van deze gemeente. In de praktijk blijkt dit echter voor de meeste gemeenten en officiële instanties helaas nog een brug te ver. Koudwatervrees, onmacht of onwil? Dit is in elk geval een gemiste kans en heel slecht nieuws! Thuis in Oss zou geen uniek maar een heel normaal initiatief moeten zijn.

IGNACE SCHRETLEN, Rosmalen

Imperialisme

In zijn bespreking van Imperialisme stelt Hans Achterhuis in De Groene van 1 december dat Arendts uiteenzettingen van het imperialisme van uitzonderlijk belang zijn om zowel het kolonialistische en imperialistische verleden (o.a. van de Nederlanders) als om het panslavisme (de Russische invasie in Oekraïne) te begrijpen.

Het is zeker een verdienste van Arendt dat ze het panslavisme en pangermanisme probeert te ontrafelen. Met betrekking tot het koloniale imperialisme is haar studie echter zeer discutabel, iets wat vooral in het buitenland al vele malen is benoemd. Arendt baseert zich voor haar analyse van Afrika vooral op Heart of Darkness van Joseph Conrad, een fictiewerk met een visie over Afrika en Afrikanen die vragen oproept. Literatuur kan zeker ons beeld op de werkelijkheid verhelderen, maar fictie hanteren als enige bron voor een historische interpretatie van een zo ingrijpende periode lijkt me een nogal smalle basis. Dat durf ik als romanschrijver en afgestudeerde in de literatuurwetenschap wel te stellen.

Arendt hanteert sowieso in Imperialisme zonder blikken of blozen het oude bekende discours over gekoloniseerde landen als bevolkt door wilden, een woord dat ze vele malen gebruikt. Dat landen als Amerika en Australië met geweld op de bewoners zijn ingenomen, lijkt voor haar geen punt van zorg. Zelfs bij het door haar in 1967 toegevoegde voorwoord laat ze dit bedenkelijke discours in het werk staan, ondanks alle studies die er dan over zijn verschenen.

Zo staat in Imperialisme: ‘De wereld van de inheemse wilden was een perfecte omgeving voor mensen die de realiteit van de civilisatie waren ontvlucht. Onder een genadeloze zon, omringd door een volstrekt vijandige natuur, werden ze geconfronteerd met menselijke wezen die leefden zonder een toekomst met een horizon en zonder een verleden waarin iets tot stand was gebracht, en die net zo onbegrijpelijk waren als patiënten in een gekkenhuis’ (blz. 113). ‘Kolonisatie vond plaats in Amerika en Australië, de twee continenten die, zonder cultuur en een eigen geschiedenis, in handen waren gevallen van Europeanen’ (blz. 186-187).

HENNA GOUDZAND NAHAR