Post week 51

Doe iets!

‘We wachten nu al vijf jaar sinds het melden van de schade. De bouwkosten stijgen alleen maar. Het is een gordiaanse knoop. Iedereen is best van goede wil, maar je komt er niet uit. Op wie moet ik boos worden? Zelfs dat is onduidelijk.’

Een citaat uit het uitmuntende artikel ‘Ramp in slow motion. Doe iets!’ (De Groene, 5 december). Journaliste Irene van der Linde zet de Groningse feiten op een rijtje. En doet dat op zo’n manier dat de buikpijn waar we hier als bewoners mee rondlopen, voelbaar wordt voor de lezer. Elk woord is waar, elke zin is raak, de feiten kloppen en alle citaten raken de kern. Zelden een artikel over ‘ons’ gelezen waarin de menselijke gevolgen van de gaswinning zo feitelijk en empathisch beschreven zijn. Een combinatie die me tranen in de ogen gaf.

INGRID VERBEEK, Loppersum

De dictatuur van de meerderheid

In ‘Niet echt Nederlands is ook Nederlands’ door Jan Willem Duyvendak en Tamar de Waal (De Groene, 5 december) vond ik de discussie over identiteiten en meerderheden versus minderheden aangenaam fijnmazig. Dat is winst. Alleen ben ik het niet eens met de strekking. De discussie zou minder over conflicterende rechten moeten gaan dan over taalverschillen. Partijen positioneren zich als gedupeerden van elkaar, maar begrijpen elkaar niet. Hoger opgeleiden laten daarbij kansen onbenut. Zij zouden zich meer kunnen inspannen een taal te ontwikkelen die kloven overbrugt.

Een voorbeeld. Een buurman van mij huldigt het ‘meerderheidsstandpunt’ van ‘kom niet aan Zwarte Piet’. Toen ik hem zei dat ik er moeite mee zou hebben het kind van het Braziliaans-Nederlandse gezin verderop in de straat huilend thuis te zien komen omdat hij op school voor Zwarte Piet was uitgescholden, knikte hij met instemming. Tot mijn verbazing. Had ik hem de statistieken voorgehouden over zwarte kinderen die in Nederland op die manier gepest worden (ik noem maar wat), dan zou dat geen enkele indruk op hem hebben gemaakt. Ik noem dit niet als lichtend voorbeeld om de taalproblemen mee de wereld uit te helpen, maar om aan te geven dat taalgebruik in veel gevallen veelzeggender kan zijn. Dichter bij de straattaal, de ‘cabarettaal’, de taal van de verteller. Of bij wat we ook wel common sense, gezond verstand, noemen.

Antonio Gramsci heeft daar in zijn Prison Notebooks belangwekkende ideeën over nagelaten. Common sense geldt wat hem betreft als de ‘folklore van de filosofie’. Zowel folklore als gezond verstand bedeelt hij – anders dan de kantiaanse minachting in dezen – specifieke, educatieve functies toe. Fundamenteel kenmerk daarvan is dat zij als concept weliswaar ‘fragmentair, incoherent en inconsequent’ zijn, maar ook dat zij zichzelf (in mijn vertaling van de Engelse vertaling) ‘voortdurend transformeren en zich verrijken met wetenschappelijke en filosofische ideeën die het dagelijks leven binnen komen.’

Kort en goed, het lijkt geen overbodige luxe in dit verband om talige vermogens van zowel ‘meerderheden’ als ‘minderheden’ op te rekken en naar behoren te vertroetelen.

GUIDO EVERTS