Post week 6

Slikken, zwijgen en schenken

Zelf inmiddels 83 jaar heb ik het artikel ‘Slikken, zwijgen en schenken’ (De Groene, 4 februari) op het puntje van mijn stoel gelezen. Mijn kinderen zijn net geen babyboomers (58-60-66) maar ik heb de beschreven bewegingen wel op de eerste rij meegemaakt. Twee bedenkingen.

Allereerst: hoe snel die ontwikkelingen elkaar opvolgen. Neem nu de periode na de Tweede Wereldoorlog. Heb ik in die beperkte tijd toch al niet minstens vijf types ouder-kindverhoudingen zien passeren? En dan te bedenken dat die verhouding in de honderd jaar daarvoor amper wijzigden. Natuurlijk lopen de klokken sindsdien alsmaar sneller.

Ten tweede, voor de zoveelste keer: het substantiële verschil op dit gebied tussen Vlaanderen en Nederland. In Vlaanderen zou dit artikel er toch enigszins anders uitzien. Het ‘op kamers gaan’ bijvoorbeeld betekent in Vlaanderen nog altijd dat die kamers de vrijdagnamiddag gelaten worden voor wat ze zijn als die heren en dames en masse en zwaar bepakt de Leuvense Bondgenotenlaan afzakken richting station, om maandagochtend het parcours in tegengestelde richting af te leggen. Met nette kleren in de koffer en de portemonnee redelijk ‘bijgespijsd’.

Toch blijft voor mij, zij het in gewijzigde contexten, de mooie metafoor van de gouden bal overeind. De gouden bal wordt van generatie op generatie doorgegeven zonder enig uitzicht of aanspraak op return. Komt erop neer dat jij met jouw gouden bal je eigen schuld aan je ouders enigszins aflost.

Herman Torfs, Lier, België

Europa van de regio’s

Het Heineken-plan om Europa te laten bestaan uit 74 regio’s (De Groene, 28 januari) lijkt meerdere vliegen in één klap te slaan. Regio’s zijn herkenbaar voor burgers en dichten de kloof tussen politiek en burger. De noodzaak van Europese samenwerking wordt erdoor versterkt en het vaak disfunctionele optreden van natiestaten wordt ingeperkt.

Toch lijkt het mij zeer de vraag of het plan het einde van de natiestaat betekent. Het is eerder te verwachten dat elke regio zich als een kleine natiestaat gaat gedragen. Dat is ook onvermijdelijk omdat elke regio verantwoordelijk wordt voor de basale diensten als onderwijs, veiligheid, zorg, justitie en vuilnis ophalen. Misschien dat we defensie en grote infrastructuur (spoorlijnen, autowegen) Europees gaan organiseren, maar ook daarvoor zullen burgers willen dat hun regio voldoende herkenbare zeggenschap heeft, anders heeft deze regionalisering voor hen niets opgeleverd. De definitie van de natiestaat is niet gebonden aan omvang (zie Luxemburg) maar aan de vraag of het de institutie is waar burgers hun rechten en plichten aan ontlenen. Als de regio’s in grote lijnen die rol blijven vervullen, ontstaan er 74 oude en nieuwe natiestaten. Het alternatief: overheveling van rechten en plichten, maar bovenregionaal Europa holt een belangrijke doelstelling van regionalisering (herkenbaarheid) uit.

Het is de bovendien de vraag of regio’s in staat zijn in de globaliserende economie voldoende gewicht in de schaal te leggen. Misschien zijn Londen, Parijs en het Ruhrgebied daartoe in staat, maar voor veel van de regio’s geldt dat ze afhankelijk zijn van de mate waarin Brussel hun belangen behartigt en (her)verdeling van werk en inkomen kan organiseren.

Tot slot: regionalisering leidt niet tot nieuwe culturele of etnische homogeniteit. Ook voor Schotland, Baskenland en Catalonië geldt dat de diversiteit in bevolkingssamenstelling zal blijven bestaan. De tijd van homogene identiteiten is echt voorbij en komt niet terug. Daarmee zou de conclusie wel eens kunnen zijn dat een Europa van de regio’s leidt tot herkenbaardere, maar machtelozere politiek met minder invloed tegenover Europa en de globalisering. Het is de vraag of we dan niet van de regen in de drup komen.

René Grotenhuis

Vluchtelingenstroom

H.J.A. Hofland vraagt zich af hoe de vluchtelingenstroom moet worden geremd (De Groene, 28 januari). Belangrijke oorzaken voor dit probleem zijn oorlogen in het Midden-Oosten en Afrika en de klimaatcrisis. We zullen dus om de vluchtelingenstroom te verminderen de wapenproductie en -handel moeten stoppen en over moeten gaan op duurzame energie. Het gebruik van fossiele brandstoffen moet worden gestopt.

J.W. van Leenhoff, Leiden