Post week 8

Scheefwonen

In ‘Paria van de woningmarkt’ schrijven Guido van Eijk en Saskia Naafs (De Groene, 18 februari) dat ‘de Europese Commissie oordeelde dat alleen mensen met een laag inkomen (tot 34.000 euro) in aanmerking mochten komen voor een gereguleerde sociale huurwoning’. Deze grens is echter niet in Brussel tot stand gekomen.

De Europese Commissie heeft naar aanleiding van klachten van particuliere woningverhuurders in 2005 een onderzoek ingesteld naar de commerciële activiteiten van Nederlandse woningbouwcoöperaties omdat deze concurrentievervalsend zouden kunnen zijn. De destijds verantwoordelijke commissaris voor Mededinging Neelie Kroes kwam tot de conclusie dat er sprake was van concurrentievervalsing en zij vroeg de Nederlandse autoriteiten voorstellen te doen om hieraan een einde te maken.

De Nederlandse voorstellen uit 2009 hielden onder meer in dat de doelgroep voor sociale verhuur beperkt zou worden tot personen met een jaarinkomen lager dan 33.000 euro (destijds geschat op 43 procent van de bevolking) voor woningen met een huur van maximaal 647,53 euro. Beide bedragen moeten worden geïndexeerd. De Commissie accepteerde deze voorstellen. Het is dus niet zo dat de Commissie specifiek deze inkomensgrens had bepaald: Nederland had andere voorstellen kunnen doen om de woningmarkt te herstructureren, maar zag daarvan om allerlei redenen af.

Bestuurders van woningbouwverenigingen suggereren regelmatig dat de inkomensmaatregel is opgelegd door de EU. De Europese Commissie heeft echter geen bevoegdheden op het gebied van de nationale inkomenspolitiek. De verantwoordelijkheid voor lastige of pijnlijke besluiten afschuiven op ‘Brussel’ is verleidelijk, maar ondergraaft op termijn de politieke geloofwaardigheid van de personen die zich hieraan schuldig maken.

Winfried Kleinegris, Roosendaal

Anatomie van een opstand

Rutger van der Hoeven onderkent in zijn artikel over de Amerikaanse studentenprotesten (De Groene, 11 februari) dat racisme een serieus probleem is. Maar hij lijkt vooral bezorgd over de mogelijkheid dat die protesten de vrije uitwisseling van opvattingen bedreigen. Deze bezorgdheid brengt hem ertoe de woede van deze studenten te karakteriseren als ‘politieke correctheid’ en de studenten als mensen die zich wentelen in een ‘cultuur van slachtofferschap’.

Deze karakteriseringen zijn pijnlijk laatdunkend over de vele getuigenissen van hen die ongelijke behandeling door bestuurders en medestudenten (om maar te zwijgen over hun ervaringen met racisme in school of met de politie) aan den lijve hebben ervaren. Daarbij komt dat de verontwaardiging van studenten alleen goed begrepen kan worden tegen de achtergrond van eeuwen van racistische onderdrukking, discriminatie en geweld. Uitingsvrijheid is belangrijk, maar om ons morele universum daartoe te reduceren mislukt jammerlijk. We moeten ook rekening houden met de wijze waarop uitingen op anderen kunnen overkomen. Dat impliceert onder meer dat we oordelen met een historisch besef, dat we erkennen dat de vrijheid van sommigen is gebruikt om anderen te onderdrukken en dat de consequenties daarvan doorwerken in het heden. Als Van der Hoeven de moeite had genomen om deze kwesties ook te bespreken met hen die door racisme worden getroffen, in plaats van gewoon met academische collega’s met wie hij die opvattingen al deelde, dan zou hij een bijdrage hebben kunnen leveren aan een discussie die in Nederland broodnodig is. Het gevolg is dat zijn stuk onrecht doet aan de protesten, en het goed gedocumenteerde institutionele racisme waar de studenten tegen ageerden onzichtbaar maakt.

Michael S. Merry, Universiteit van Amsterdam

Bart van Leeuwen, Radboud Universiteit Nijmegen


Beeld: Jan Rothuizen