Post week 9

Vliegen & milieu

Het prima artikel van Jaap Tielbeke (in De Groene van 22 februari) biedt voldoende aanknopingspunten voor verdere reportages en verdieping. Het vliegen is bijvoorbeeld zeer onaangenaam voor wie er niet aan meedoet. Het tangiale banenstelsel van Schiphol zorgt ervoor dat minstens half Noord-Holland reeds last heeft van vliegbewegingen. Dat heeft lang niet altijd alleen met de windrichting te maken, maar ook met waar de bewonersoverlast vandaan komt. Klaagt men in Haarlem? Dan zetten we toch gewoon de landing in boven Egmond, Alkmaar, Castricum?

Wat ook te denken van de mythe van ‘de banenmotor Schiphol’, het dichtslibben van grote steden door de vele vliegmogelijkheden die het tevens mogelijk maken dat ziekten en virussen zich als een dolle verspreiden? Het wordt tijd dat die accijns op kerosine er gewoon komt, omdat dit in ieder geval toch niets lijkt uit te maken voor de vliegbehoefte, maar ondertussen wel de inkomstenverliezen uit aardgas kan opvangen. Ook zou er veel meer aandacht in woord en daad moeten komen voor virtuele vergaderingen en congressen, de techniek maakt dit prima mogelijk.

Tot slot nog een opmerking over die vliegende Jan Modaal. Die is inderdaad het gemak van vliegen gaan ontdekken om zo aan voldoende zon-uren te komen op niet al te verre bestemmingen. Daarnaast moet toch worden opgemerkt dat de veelal goed geïnformeerde inkomens daar vlak boven enorme ladingen boter op het hoofd hebben door bij afvalscheiding de servetten bij wijze van spreken nog bij het oud papier te doen, maar zichzelf wel trakteren op een vliegvakantie van minstens drie weken waarbij zij in hun exotisme veelal niet ver genoeg menen te kunnen reizen.

Jan Willem Wilkens, Alkmaar

Feit en fictie

Feit komt van het Latijnse woord factum. Het kan zowel het gebeurde als het gemaakte betekenen. Geen feit, of het kleeft aan wat ervan gemaakt is. Zoals ook geen tekst zonder interpretatie goed gelezen kan worden. Maar niet alles kan natuurlijk. Feiten kunnen al gauw verdraaid worden, maar geheel van eigen makelij zijn ze daarmee nog niet. Fictie komt van fingere, ergens iets op verzinnen. Wat voor zich spreekt, kan tegengesproken moeten worden. Fictie verzaagt de werkelijkheid tot figuren waarmee gespeeld kan worden teneinde te voorkomen helemaal platgedrukt te worden door haar massiviteit. Zoals in de film La vita è bella ‘vader’ een spel maakt van de gruwelijkheid van het kamp des doods om bij zijn kind de moed erin te houden. Te erg om mee te maken is wat het omgeeft. Vaders fictie stelt het daarom in een ander licht. In een welhaast overmoedig – of veeleer deemoedig? – licht. En ziedaar, het kind overleeft.

Overmoed echter is wat anders dan hoogmoed. Die dikt aan en heeft er belang bij dingen erger te maken dan ze zich laten aanzien. Dus heb je nodig te zeggen erbij geweest te zijn en slechts de feiten aan het woord te laten. Een gevalletje aanwezige afwezigheid. Andersom echter kan ook, en dat is van waar je bij bent, bijna nog meer nog de afwezige te zijn. Je dikt dan niet aan, maar doet een poging aan leven te redden wat te redden is. Het verschil tussen feit en fictie lijkt me dan ook net iets minder steriel dan Marcel ten Hooven in zijn artikel (in De Groene van 22 februari) beleden wil hebben.

Fokke van der Heide, Zwolle