Post week 9

Kinneging

Interessant om een essay van een echte ouderwetse conservatief te lezen in De Groene (12 februari). Andreas Kinneging, bijna vergeten. Zal wel in verband staan met zijn vuistdikke boek. Dank voor de samenvatting.

Zijn relaas biedt een mooie blik op een ouderwets conservatieve gedachtegang, in een stijl die bij de gedachten past. Even zag ik hem in zeventiende-eeuwse slobkousen door de Nederlandse straten dwalen.

Vermalen tussen markt en staat wijst hij ons de weg naar de ‘gemeenschap’. Dank, alleen is die gemeenschap als-ie groter is dan de dorpsgemeenschap net zo’n mythe als de andere mythes die ons mensen bijeen houden. Yuval Noah Harari heeft er behartenswaardige passages over geschreven. Zo’n mythe kan je aanspreken, zeker, maar dat is toch iets anders dan de wederzijdse burenhulp die Kinneging heel even naar voren schuift. ‘Wij Nederlanders’… die twee woorden zijn op zich al bijna een mythe. ‘Wij Nederlanders zijn gelijk voor de wet’, dat klopt nog een beetje want dat staat in die wet. Maar ‘Wij Nederlanders zijn blank, flegmatiek en eten haring aan het staartje’, daar begint een mythe die door Andreas en de zijnen graag zal worden aangevuld, maar die in handen van machtsbeluste mannen heel verdrietige effecten kan hebben in de samenleving.

HERMAN VERSCHUREN, De Bilt

Kinneging (2)

Ik vind het essay van Andreas Kinneging een verbluffend goede weergave van de haast niet te ontwarren kluwen van fouten en misvattingen waaraan onze maatschappij lijdt. Maar toch een kanttekening. Het is vreemd dat Kinneging wel de vrijheid en de gelijkheid vermeldt bij de idealen van de Franse Revolutie, maar niet de broederschap. De broederschap komt alleen impliciet aan de orde wanneer hij het over ‘de gemeenschap’ heeft. Maar dat is onvoldoende uitgewerkt. Juist in de broederschap ligt m.i. het mogelijke begin van de oplossing, zeg maar genezing. Want onze maatschappij kun je gerust ziek noemen.

Hoe dan? Allereerst: de vrijheid, de gelijkheid en de broederschap hebben elk hun eigen domein, ze horen thuis in een bepaald aspect van het organisme dat we de samenleving noemen.

De vrijheid is vooral op zijn plaats in het culturele, het wetenschappelijke en het geestelijk-religieuze aspect. Hier hoort ook de concurrentie thuis: laat ideeën en opvattingen vrijelijk concurreren! De gelijkheid hoort bij het sociale en juridische, we zijn allen gelijk voor de wet, de een mag niet meer dan de ander. Niemand hoort privileges te hebben. De overheid hoort hiervoor de regels te formuleren die door de rechterlijke macht worden gehandhaafd. En de broederschap hoort (hoe verrassend voor het neoliberalisme) bij het economische. Door de ver doorgevoerde arbeidsverdeling kan niemand voor zichzelf zorgen, we hebben allemaal iets nodig wat anderen maken. En die productieprocessen omvatten inmiddels de hele wereld. Elke producent is tevens klant. Door daar de broederschap als leidend principe te hanteren, wordt uitbuiting voorkomen.

Het zal voorlopig nog geen algemene werkelijkheid worden. Maar ik denk dat het zou kunnen werken.

JULES FABER, Zeist