Hoofdcommentaar

Postcodechantage

Als de overheid burgers rubriceert op basis van postcodes en daarop haar beleid afstemt, kan dat leiden tot onrechtvaardigheid. Bureaucratisch is het uiteraard efficiënt. Maar postcodebeleid creëert soms wel ongelijke kansen die maatschappelijk onacceptabel zijn.

Vorig jaar werd bijvoorbeeld bekend dat de locatie van een ziekenhuis invloed heeft op de beslissing om al dan niet dure medicijnen te gebruiken bij de behandeling van ernstige borstkanker en de ziekte van Kahler. Het gevolg van de ‘postcodezorg’ was dat landelijk honderden patiënten, zonder zich daarvan bewust te zijn, buiten het budget vielen voor de dure levensverlengende behandelingen. Cru gesteld kun je kennelijk beter borstkanker krijgen in Zeeland dan in Utrecht. Een ander voorbeeld diende zich vorige week aan. Het Barlaeus-gymnasium bleek door zijn postcodeligging in Amsterdam via de ‘leerplusregeling’ aangemerkt te zijn als achterstandsschool. Deze hoogburgerlijke school ontving daarom een extra overheidssubsidie van bijna vierhonderdduizend euro, een bedrag dat niet kan worden besteed aan een echte achterstandsschool.

Meestal komt dit soort gevallen bij toeval uit. Het Barlaeus was zo eerlijk om zelf aan de bel te trekken. Niemand zal dan roepen dat het een kwestie is van pech of geluk. Het raakt in potentie immers iedereen.

Anders is het bij bedrijven en instellingen die postcodes hanteren om klanten te werven voor producten, aanbiedingen, prijsvragen of loterijen. Veel mensen vinden de berg aan ‘doelgroepfolders’ in de brievenbus weliswaar hinderlijk, maar dat is doorgaans aanvaardbare overlast. Niemand klaagt de Bijenkorf aan als hij of zij geen boekje van de Drie Dwaze Dagen heeft ontvangen. Niemand roept benadeeld te zijn door marketingstrategieën die mensen reduceren tot vier cijfers en twee letters. Je zou je bij de rechter onsterfelijk belachelijk maken.

Toch ligt het minder eendimensionaal. Je kunt wel degelijk slachtoffer worden van commercieel postcodebeleid. Dat is de inzet van een rechtszaak van mevrouw De Gier uit Heusden, die zich gedupeerd voelt door een instelling die daar ook nog eens direct zijn naam aan ontleent: de Postcodeloterij.

Van alle kansspelen confronteert dit kansspel mensen die niet meespelen het hardst met wat er wel had kunnen gebeuren. Meespelen dient bovendien een ideëel doel. Dus je geld is altijd goed besteed als je niet wint. Het is een win-win-situatie. Mits je actief handelt.

Mevrouw De Gier deed begin vorig jaar niet mee. Haar straat in Heusden won de kanjerprijs van 13,9 miljoen en ze zag de kurken van de champagneflessen de lucht in gaan. Ze vertelde later huilend in Nova dat ze psychische schade ondervindt. Elke keer als ze haar postcode ergens moet invullen, wordt ze herinnerd aan die ‘zwarte dag’.

Deze frustratie leidde vorige week tot een rechtszaak tegen de Postcodeloterij. De reactie daarop – zo blijkt uit onder meer websites als geenstijl.nl – bestaat voornamelijk uit leedvermaak: huilebalk, eigen schuld dikke bult of stomme Gier.

Dit is te gemakkelijk. En onterecht. De Gier staat niet alleen. Ook anderen meldden hoe hun leven drastisch werd aangetast door de kanjerprijs in de straat. Ze werden lastiggevallen door cameraploegen en nog weken daarna geconfronteerd met folders over koopappartementen in Spanje, jachten, dure ‘kom tot jezelf’-reizen naar tropische paradijzen. Deze stortvloed van aanbiedingen appelleert dagelijks aan het gegeven dat je een gefortuneerde toekomst bent misgelopen omdat je in het verleden zo stom bent geweest niet mee te doen. De omgeving maakt je ongewild tot een slechte verliezer, tot een loser.

Het lijkt een materiële kwestie te zijn – jaloezie om de nieuwe spullen van anderen – maar het is immateriële schade. Mevrouw De Gier heeft er niet voor gekozen haar leven te laten ontregelen door haar sociale omgeving. Haar advocaat stelt dat de Postcodeloterij Artikel 10 van de grondwet heeft geschonden: het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Bovendien doen mensen anders dan bij de Staatsloterij met de Postcodeloterij mee omdat ze bang zijn níet te winnen. Dat maakt deze loterij tot een vorm van chantage. Iedereen heeft immers een postcode, er is niet aan te ontkomen en daarmee zadelt de stichting mensen op met angst en frustratie in spe.

De pech van mevrouw De Gier is niet simpelweg af te doen met het voor de hand liggende argument ‘eigen verantwoordelijkheid’. Het is namelijk de vraag of de vrije wil niet wordt aangetast door de wijze waarop bewust wordt ingespeeld op de emoties van de buren.

In deze zaak (uitspraak 20 juni) liggen kansen. Natuurlijk is er geen recht op een deel van de koek. Ook laat haar schade zich in de verste verte niet vergelijken met die van een kankerpatiënt. Maar wel zou de stichting iets moeten doen aan de methode. De impact van de prijs op niet-deelnemers – de verliezers – wordt veronachtzaamd, terwijl de winnaars feestelijk worden opgevangen door hele teams van psychologen en allerlei aasgieren die geld ruiken.

Aan de ‘bijsluiter’ moet iets veranderen. In Amerika is de gang van gedupeerde burgers naar de rechter schering en inslag. Een hilarische zaak is die van een vrouw die met succes een firma van huishoudelijke apparaten had aangeklaagd wegens het gebrek aan uitleg bij het gebruik van een droogtrommel. Ze had haar kat die nat was geworden in de regen in het apparaat gestopt om te föhnen. De dood van haar poes had ze niet verwacht. Sindsdien staat er op iedere gebruiksaanwijzing: ‘niet geschikt voor levende wezens’.

Op zich is het niet wenselijk dat deze juridisering van de samenleving navolging krijgt. Maar al deze rechtszaken zijn wel het logische gevolg van de consumptiemaatschappij waarin klanten worden misleid en misbruikt.