Ger Groot

Postcultuur

Vanuit het Oosten vertrok de beschaving en in het Westen kwam ze aan. Ex oriente lux, heeft Europa altijd geweten: het licht komt uit de oriënt. Maar wie lang genoeg met de zon meereist komt vanzelf in de Nieuwe Wereld terecht. Dat het puik van de beschaving inmiddels over de Atlantische Oceaan heen is gewipt, is aan deze zijde ervan een even angstig vermoeden als het aan gene zijde een vanzelfsprekendheid is.

Het Antwerpse tijdschrift Streven heeft zijn juninummer aan de Verenigde Staten gewijd, om voor de hand liggende redenen. Het is een mooie special geworden, met heldere stukken over de Bush-doctrine, het wisselspel van isolationisme en internationalisme en de rol van evangelische bewegingen, maar ook — verrassender — over verval en behoud van immigrantentalen onder invloed van de godsdienst. Het Nederlandse calvinisme komt er als ware taalecologische niche vanaf. Ook in de VS spreekt God nog altijd Statenbijbels, maar bergafwaarts gaat het wel.

Dat geldt niet alleen voor de oud-Europese bijbelse cultuur. Met de Bildung als geheel wil het aan gene zijde van de oceaan niet erg lukken. De beschaving mag er dan haar laatste landingsplaats hebben gezocht, op veel eruditie en boekenwijsheid is een Amerikaan zelden te betrappen. «Postcultuur» noemt de literatuurwetenschapper Christopher Clausen dat, en voor Europa is dat een gevoelige klap. De Amerikaanse beschaving zal de rest van de wereld nog wel even blijven domineren, maar dan wel in een vorm die op het oude continent eerder als het tegendeel daarvan geldt.

Vanwaar die militante domheid, die aanleiding geeft tot evenveel verbazing als geamuseerde anekdotes? Over een bevolking die — zoals Herman Simissen in Streven beschrijft — in Washington massaal het Vietnam-monument bezoekt, maar waarvan volgens enquêtes bijna de helft niet meer weet aan welke zijde ze heeft gevochten. Over een hyperpatriottisme waaraan vrijwel geen Amerikaan ontsnapt, ook al weet vijftien procent van de Amerikanen de eigen natie op de wereldkaart niet terug te vinden.

Kom dan niet ook nog eens met Jeanne d’Arc of Hercules aan (volgens sommigen respectievelijk de vrouw van Noach en een bedenksel van Walt Disney), of in Europese ogen lijkt in het Westen mét de zon ook de beschaving onder te gaan.

Iets nuffigs heeft dat wel. Het is het laatste dédain van een in macht en rijkdom overtroefd continent dat zijn illusie van superioriteit wil blijven koesteren. Net als ooit de verarmde adel en de Bildungsburger trekt Europa zich terug op haar distinctie. Cultureel kapitaal is voor een parvenu nu eenmaal het moeilijkste te veroveren, zo heeft Bourdieu laten zien, en daarom het begeerlijkste. Dat hopen althans de oude standen, die zich met waardige berooidheid opsmukken met het enige sieraad dat hun rest, ook al is dat inmiddels danig uit de mode geraakt.

Want waarom zou je moeten weten dat Hercules niet door Disney is bedacht? Op een arbeidsmarkt waarin flexibiliteit de voornaamste deugd is en de gemiddelde burger zich drie keer in zijn leven laat omscholen, is kennis eerder een last dan een voordeel, constateert de socioloog Walter Wyns in Streven. In de kennismaatschappij gaat het — paradoxaal genoeg — niet langer om de vraag: «Hoe kan ik kennis verwerven?» maar: «Hoe raak ik mijn overtollige kennis zo snel mogelijk weer kwijt?»

Ook eruditie kan kennelijk even zwaar lijvig worden als de gemiddelde Amerikaan dat al fysiek is geworden. Helemaal nieuw is dat niet. Toen Duitsland nog dé natie van de wetenschap was, beschreef de jonge Nietzsche hoe een door haar eigen geschiedenis bevangen kenniscultuur voor het leven eerder nadelig dan nuttig was. Ook Nietzsche zag wel wat in een actieve vergetelheid.

Hij kon het gemakkelijk zeggen want hij wist nog waar Abraham de mosterd haalde. Vasten is voor zwaarlijvigen geen probleem, zolang ze te midden van de overvloed weten waar te zoeken wanneer plotseling vitaminegebrek dreigt. Dan staat domheid hulpeloos, aangewezen op het fastfood van de culturele clichés die altijd wel voorhanden zijn. Nietzsche liet zijn Zarathustra uiteindelijk toch maar niet als een Amerikaan ondergaan. Gloeiend als een rijzende zon begint hij zijn prediking. Het licht schijnt toch nog uit het Oosten.