De rijstvelden bij de Wijnkoopbaai bij Palabuhanratu, West-Java, Indonesië, 1947 © Hugo Wilmar / Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad

De verschijning van de Oost-Indische spiegel van Rob Nieuwenhuys in 1972 was een openbaring. Je las opeens over schrijvers van wie je nooit had gehoord en je kreeg er en passant de koloniale geschiedenis van Nederland en Indonesië bij. Het boek zou hét standaardwerk worden van de zogenoemde ‘Indische bellettrie’. Nieuwenhuys’ discipelen zetten met de Werkgroep Indisch-Nederlandse letterkunde het werk voort, al drong het kwartaaltijdschrift Indische Letteren zich nooit op de voorgrond.

Hinderlijk was de traagheid waarmee Indische Letteren de ‘tweede generatie Indische’ auteurs bestudeerde. Pas in 1999 verscheen een fluttige reader getiteld Portrettengalerij tweede generatie Indische auteurs onder redactie van Bert Paasman. Dat was een jaar na de verschijning van Paradijzen van weleer (Troubled Pleasures: Dutch Colonial Literature from the East Indies, 1600 – 1950) van de Amerikaan E.M. Beekman, eveneens een adept van Rob Nieuwenhuys. Deze literatuurwetenschapper vergeleek enkele boeken uit de Oost-Indische Spiegel met Amerikaanse streekromans die ons weinig zeiden, omdat die boeken net zo gemarginaliseerd waren als die uit onze ‘Indische bellettrie’.

Breder opgezet was de publicatie Europa Buitengaats: Koloniale en postkoloniale literaturen in Europese talen (2002) onder redactie van Theo D’Haen. Hij bracht een scala van multiculturele literatuur in Europese talen in beeld. Een puur Nederlandstalige evenknie kent dat boek niet maar lijkt mij zeer gewenst, met als eindstation het samengaan van de ‘officiële’ Nederlandse literatuur met de (post)koloniale en immigrantenliteratuur onder de noemer ‘Nederlandstalige letteren’. Van toenadering tussen specialisten in ‘Indische’ literatuur en ‘Caribische’ literatuur zie ik vooralsnog weinig, terwijl in het maatschappelijke debat tussen ‘wit’ en ‘zwart’ juist ‘bruin’ een pingpongbalfunctie mag vervullen.

Gelukkig krijgt deze ‘tussenfiguur’ ruim baan in het recent verschenen De postkoloniale spiegel: De Nederlands-Indische letteren herlezen, onder redactie van de academici Rick Honings, Coen van ’t Veer en Jacqueline Bel. Wat meteen opvalt is dat de term ‘Indische’ zo veel mogelijk is vervangen door ‘koloniale’. Of daarmee ‘Indisch’ en ‘koloniaal’ synoniem zijn geworden, dat zou ik er niet in lezen, maar je kunt het er wél in lezen. In navolging van E.M. Beekman brengt een groep van liefst 25 medewerkers het grote aantal door Nieuwenhuys gecanoniseerde schrijvers in De postkoloniale spiegel terug tot een groep van 27. Maar waar Beekman nog begint met te vertellen vanaf de scheepsjournalen tot en met Junghuhn, daar beginnen Honings c.s. liefst 260 jaar later bij, u raadt het al: Multatuli.

Dat doet me direct denken aan de beginzin uit een essay uit 2006, Searching for Max Havelaar, van Darren C. Zook: ‘Must everything in modern Dutch literature begin and end with Multatuli?’

Volgens de redactionele inleiding in De postkoloniale spiegel zeker niet – er valt veel meer te lezen! Toch begint het boek met een stuk over hem, waarin wordt nagegaan in hoeverre deze schrijver nou antikoloniaal was of niet. Die vraag vormt trouwens zo’n beetje de running gag in het boek.

Volgens de hoofdredacteuren zag zowel Edward Said als Pramoedya Ananta Toer in Multatuli een antikoloniale auteur. Hebben we weer zo nodig een schouderklopje van buitenlanders nodig? Bel laat eerst zien dat hij slechts tot op zekere hoogte antikoloniaal was. Niettemin kan ze de neiging niet onderdrukken P.A. Toer nog maar eens te citeren: ‘the book that killed colonialism’.

Multatuli’s klassieker is een boek waarover al 160 jaar wordt gedebatteerd, wat het uiteraard tot een interessant werk maakt, maar het moet niet als extensie aan de Nederlandse driekleur worden genaaid, die andere landen moet doen geloven dat wij onze koloniale geschiedenis fris onder ogen zien. Daar zijn we, optimistisch gesteld, nog maar net mee begonnen.

Inmiddels wordt de mythologisering van Multatuli in Indonesië ondergraven door onder anderen de Indonesische letterkundige Saut Situmorang, in Kumparan (17 september 2021), waarin hij stelt dat P.A. Toer nogal naïef was in zijn formulering. Die had zijn oog op het Cultuurstelsel, dat vervangen werd door de Ethische Politiek, die ‘inheemsen’ in staat stelde koloniaal onderwijs te volgen. De zogenoemde ‘inheemsen’ waren ‘Indonesische’ aristocraten die het voorrecht van beter onderwijs kregen, nádat ze nota bene in Max Havelaar waren aangeklaagd wegens ‘knevelarij’. Aan het einde van deze roman springt onze held Multatuli in de bres voor het gewone volk, dat hij hooguit in een sprookjesachtige vertelling weet weer te geven (Saïdjah en Adinda). Ziehier het werk van een schrijver die je maar het best kunt beoordelen op zijn romantechniek en niet op zijn verondersteld antikolonialisme, want antikoloniaal was geen enkele schrijver. Ja, het gouvernement gebruikte Max Havelaar om veranderingen door te voeren. En hoe! De vrije-marktwerking was geboren. Nou, wij weten nu wel hoe dat voelt.

De postkoloniale spiegel begint met Multatuli, waardoor dus de kop van het kolonialisme eraf wordt gehakt, of het boegbeeld van de voc-vaarder, zo u wilt. Je valt als lezer midden in de geschiedenis en die moet je maar net kennen. Max Havelaar wordt de eerste ‘Indische roman’ genoemd. Nu laat de term ‘Indisch’ zich veel moeilijker verklaren dan de term ‘koloniaal’. Heb je het over ‘Indisch’, begin dan rond 1600 met de geschriften van Jan Huygen van Linschoten, die de Portugese scheepsroutes kopieerde, want toen heette heel Azië ‘Indië’. Desnoods open je met het beroemde scheepsjournaal van Willem IJsbrantsz. Bontekoe. Je laat er dan bijvoorbeeld het pamflet rond slavernij van Willem van Hogendorp op volgen en dan krijgt de lezer in elk geval enig idee van de ontwikkeling van Neerlands koloniale literatuur, die voorlopig eindigt met het allereerste Nederlandstalige postmoderne én postkoloniale fictieve scheepsjournaal, de roman A.D. van Gustaaf Peek (2021), die geen recensent met kennis van zaken weet te duiden.

Het nieuwe overzichtswerk is bedoeld als applicatie van én correctie op wat Nieuwenhuys al eerder schreef. Het vervangt het helaas niet. In De postkoloniale spiegel worden voornamelijk romans en enkele verhalenbundels besproken. Hiermee wijkt men af van Rob Nieuwenhuys’ formulering van de ‘Indische bellettrie’, die volgens hem moet worden gezien als een voortzetting van wat met de scheepsjournalen is begonnen, gevolgd door schotschriften, reisbeschrijvingen, poëzie, liedjes, jaarboeken (probeer Max Havelaar maar eens als een uit de hand gelopen jaarboek te lezen…) en ga zo maar door – al wat niet past in de mooischrijverij waarop de officiële Nederlandse canon drijft.

E.du Perron in Nederlands-Indie, ca 1919 © Literatuurmuseum

De auteurs van De postkoloniale spiegel proberen uit te gaan van de leestechnieken die door Edward Said zijn nagelaten in zijn boek Orientalism uit 1978 (onlangs opnieuw uitgebracht door Athenaeum, Polak & Van Gennep). Onder ‘oriëntalisme’ wordt kortweg verstaan de visie die het ‘Westen’ op het ‘Oosten’ nodig had, of heeft, om zich superieur te kunnen voelen. Zo wordt in de verhalende literatuur eerder een representatie van de werkelijkheid geboden dan de werkelijkheid zelf (lastig voor romanciers, dit terzijde) en elke lezer in zijn interpretatie onderworpen aan dit ons opgelegde ‘oriëntalistische discours’.

Maar soms is het alsof een klasje van literatuurwetenschappers schools aan de slag is gegaan met Edward Saids dictaat in de hand. Gevolg is een reeks opstellen over een serie boeken van veertien vrouwelijke en dertien mannelijke auteurs vol overlap en soms wel érg voor de hand liggende conclusies. Doorgaans is men het wel met elkaar eens over de meeste boeken uit de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw: de teksten hebben koloniale tendensen maar er vallen hier en daar toch antikoloniale stukken in te vinden, of andersom: de tekst lijkt antikoloniaal maar bezit toch wel het een en ander aan koloniale clichés. Voeg daarbij de uitingen van feminisme of de queer benadering van bijvoorbeeld Couperus’ proza en je ziet dat het lastig is om louter aan het handje van Edward Said te lopen.

Said kreeg het voor elkaar om koloniale tendensen te vinden in boeken als Mansfield Park van Jane Austen uit 1814, waarin slechts terloops wordt gerept over slavernij, waardoor het breed uitgemeten liefdesleven van de happy few mogelijk wordt gemaakt. Wat Edward Said, ontwortelde telg van Palestijnse en Amerikaanse komaf, vergat te benadrukken was dat er ook zoiets bestond als een wereld tussen ‘Oost’ en ‘West’ in, al is die niet aan lands- of machtsgrenzen gebonden. Het schrijverspeloton onder aanvoering van Honings c.s. kan daar gelukkig niet omheen. Sterker: er ontstaat ruim baan voor de mensen tussen ‘Oost’ en ‘West’, voortgekomen uit beide ‘werelden’: in vervlogen tijden in navolging van de Portugese kolonisatoren als ‘mestiezen’ bestempeld, en thans Indo’s genoemd.

Wij Indo-schrijvers worden juist in een ‘slachtofferrol’ gemanoeuvreerd en in de Nederlandse literatuur in een aparte hoek gezet

Helaas haalt Gloria Wekker de termen ‘Indo’ en ‘Indo-Europeaan’ weer eens door elkaar, net zoals ze doet in haar boek Witte onschuld, waarmee ze furore maakte. Haar hoef je geen Edward Said als voorbeeld te geven, ze bekijkt Het land van herkomst (1935) van E. du Perron onder raciale, etnische en seksuele oculairs, wat niet verbazingwekkend is, maar ze gooit bij haar beschrijving van klasse, rangen en standen voor het gemak twee groepen ‘halfbloeden’ op een hoop door zowel Indo’s als Indo-Europeanen bij de geprivilegieerden in de kolonie onder te brengen. (Ze sympathiseert wél met ‘halfbloeden’, kennelijk in navolging van Du Perron.) In de huidige tijd spreek je voor het gemak over ‘Indo’s’ en niet meer van ‘Indo-Europeanen’, maar in de koloniale literatuur is er een zeer duidelijk onderscheid.

Ook Wekkers plaatsing van de term tempo doeloe is een anachronisme; die periode verdween al bij de industrialisering in 1900, en heus: de Indo’s kregen het toen al zwaar te verduren. Wekkers boodschap luidt dat mensen die nu schrijven over tempo doeloe (ze bedoelt denkelijk de volledige koloniale tijd), zich rekenschap moeten geven van de positie van witte mensen en van de doorwerking van de denkbeelden die daaraan ten grondslag liggen. Dat klinkt nogal logisch, al zou haar vrees wel eens gegrond kunnen zijn…

Remco Raben haalt tot mijn vreugde Carry van Bruggens minder bekende werk te voorschijn. Immers, een blik op Wikipedia toont op het moment van dit schrijven geen enkele titel uit Carry van Bruggens ‘Indische werk’. Raben trekt Saids leesvoorstellen naar het onbekendere gebied van minder expliciete koloniale literaire uitingen in de Nederlandstalige literatuur. Hij schrijft dat het Indische gehalte in het werk van Carry van Bruggen in de ogen van anderen te gering zou zijn. En vervolgt: ‘Dat oordeel heeft te maken met de mythevorming rond wat “Indische letteren” behelzen. Beschouwers hebben veelal de neiging gehad koloniale romans “documentair” te lezen.’

Behalve dat er aandacht is voor bekende witte/blanke auteurs, krijgen ook minder bekende schrijvers aandacht. Het boek laat zich dan ook niet vergelijken met De nieuwe koloniale leeslijst (2021, samengesteld door Rasit Elibol), dat als een voorstel dient om te komen tot een overzichtswerk van Nederlandstalige koloniale literatuur in de breedste zin van het woord, dus ook literatuur uit de ‘West’.

Olf Praamstra verwondert zich over de kritische houding die de schrijver Victor Ido aanneemt ten opzichte van Indo’s en Indo-Europeanen, omdat deze schrijver en criticus zelf een Indo-Europeaan was. Betekent dit wellicht ook dat een Hollander zich niet kritisch zou mogen opstellen tegenover een Hollandse schrijver omdat-ie toevallig Hollands is? Als je hierover nadenkt, kun je niet anders dan concluderen dat van Indo’s wordt verwacht dat ze één front vormen in de kolonie, wat absurd is en gestoeld op een (neo)koloniaal verwachtingspatroon van een blanke/witte Nederlandse literatuurwetenschapper die zich nota bene buigt over de vraag of een tekst wel of juist niet als ‘koloniaal’ moet worden bestempeld. Dit betekent niet dat zijn stuk verder niet goed is, sowieso zijn de meeste stukken van een behoorlijk en soms hoog niveau en zeer leerzaam voor de minder geoefende lezer.

Als er één figuur tot vervelens toe voorbijkomt, dan is het wel de njai, oftewel de bijvrouw, de bijzit, de huishoudster/minnares, de niet door de ‘blanke’ man geëchte vrouw en ga zo maar door. Het boek eindigt er zelfs nadrukkelijk mee. Maar de njai is ook maar een handspiegel in het postkoloniale spiegelpaleis en moet geen al te nadrukkelijk symbool worden in de complexe (post)koloniale literatuur.

Nou is de njai wél een interessanter fenomeen dan de rijsttafel, dat moet gezegd…

Er is geen Indo te vinden die geen njai in de familie heeft. Dat ze zowat in elke ‘Indische’ roman voorbij komt is dus niet verwonderlijk, maar door haar tot in den treure te thematiseren zou je bijna vergeten dat in de kolonie alles om geld draaide. En waar roof de boventoon voert, ontwaken de dierlijke instincten van de mens. Uit de seksuele driften werd de ‘halfbloed’ geboren en dat maakt deze tussenfiguur, die de Indo nu eenmaal was, en nog altijd is, helaas tot een dubieuze persoon, want die kon moeilijk model staan voor de Europese beschaving die men hoog probeerde te houden. Die tussenpositie verklaren is feitelijk nog moeilijker dan oriëntalistisch lezen, wat weer heel wat anders is dan oriëntalisme verklaren, waarop zelfs Edward Said in strikt persoonlijke zin geen duidelijk antwoord op had.

Rob Nieuwenhuys rechtsboven geniet van een Indische maaltijd © Nationaal Archief / Collectie RVD

Waar is oriëntalistisch schrijven begonnen? Waar is de ‘Indische’ cultuur ontstaan? Antwoord: in de kolonie. Het ‘Indische’ vormde een subcultuur binnen het kolonialisme, die tot de dag van vandaag voor veel verwarring zorgt. Dat maakt dat voor het lezen van onze koloniale geschriften de leesaanwijzingen van Edward Said niet toereikend zijn. Daarom zijn er gelukkig intelligente bijdragen te vinden in De postkoloniale spiegel die zich wat minder aan Edward Saids evangelie gelegen laten liggen. Anderzijds zijn er auteurs die Oriëntalisme wel heel letterlijk nemen. Een voorbeeld is Rick Honings, die zich buigt over de werken van P.A. Daum. Hij sluit zijn bijdrage af met een quote uit een brief van Rob Nieuwenhuys aan Gerard Termorshuizen: ‘Vanuit zijn literaire opvatting wilde [Daum] met zijn romans de hele “comédie humaine” van de Indische samenleving bestrijken, maar hij blijft tegenover de Inlander of half-inlander als Aboe Bakar een rasechte koloniaal.’ Waarop Honings besluit: ‘Dat had Nieuwenhuys goed gezien.’

De postkoloniale spiegel is geschreven door academici en ik mag toch wel een wat minder kinderlijk besluit verwachten van iemand die de kar van 25 medewerkers trekt. Ook een nieuwkomer in de bubbel van literatuurvorsers, Arnoud Arps, blijkt niet al te wetenschappelijk te werk te gaan. Met een verwijzing naar een dagboek van ondergetekende, waarin een gefictionaliseerde Meneer B. in februari 2007 terloops opmerkt dat Augusta de Wits novelle Orpheus in de dessa de brandstapel nog niet waard is, is niet alleen onwetenschappelijk maar toont ook dat genoemde scribent mijn echte serieuze bijdrage over de genoemde novelle in De nieuwe koloniale leeslijst van veertien jaar later niet heeft gelezen, terwijl in het voorwoord van De postkoloniale spiegel toch gewag van dat boek wordt gemaakt. Een oriëntalistische blik op Orpheus in de dessa werpen is kinderspel; het boek vanuit de Indo lezen is andere koek.

Hebben ze wel een wakkere externe eindredacteur op al die losstaande bijdragen losgelaten?

Dit boek wil geen substituut zijn voor Nieuwenhuys’ Oost-Indische spiegel maar komt soms met wonderlijke keuzes, zoals A. Alberts. Die is, dunkt mij, alleen interessant als het aankomt op schrijfstijl. Een writer’s writer, kortom. Maar juist daaraan, schrijfstijl, wordt weinig aandacht geschonken. Er is sowieso geen literaire maatstaf voor (post)koloniale literatuur – een erg lastig probleem – de inhoud staat in elk geval voorop. Dus ja, een werkelijk provocerende schrijfster als Dé-lilah, die rauw vanuit de Indo-Europese blik schrijft en antikolonialer is dan haar ‘blanke zusters, bij wie naarstig naar uitingen van ‘feminisme’ wordt gezocht, zo iemand, die al dertig jaar vóór Madelon Székely-Lulofs de misstanden in Deli aanklaagde, die blijft onder een dikke laag stof liggen.

Opvallend is dat naarmate Oost-Indische spiegel van Rob Nieuwenhuys dichter bij hedendaagse schrijvers komt hij steeds nadrukkelijker op de stoel van de recensent gaat zitten. In De postkoloniale spiegel is het juist andersom. Aangekomen bij de ‘tweede generatie’ postkoloniale schrijvers worden de theorieën van Said meer en meer losgelaten, eenvoudig omdat tussenfiguren, of ‘hybride schrijvers’, moeilijker te plaatsen zijn. Zo wordt Adriaan van Dis een ‘vreemde eend in de bijt’ genoemd. Verder noemt Jeroen Dewulf ‘Indo’s’ een volk, terwijl het toch echt om een (niet-heterogene) groep gaat. Daarover schrijft hij het volgende in zijn stuk over Tjalie Robinson/Vincent Mahieu: ‘Indo-schrijvers van de tweede generatie cultiveren inderdaad een minderheidspositie binnen de Nederlandse literatuur en verbinden hun unieke hybride identiteit niet langer met een verhaal van koloniaal heldendom maar van koloniale onderdrukking. Ze nemen daarmee niet alleen afstand van Robinsons problematische verheerlijking van het koloniale verleden, maar zijn bovendien geneigd zichzelf als slachtoffer van dit verleden te beschouwen.’

Het is andersom: wij Indo-schrijvers worden juist in een ‘slachtofferrol’ gemanoeuvreerd en in de Nederlandse literatuur in een aparte hoek geplaatst. Jeroen Dewulf bevestigt nota bene zelf het belang om postkoloniale schrijvers in beeld te brengen, eenvoudig door mee te werken aan De postkoloniale spiegel. Nou… is zo’n werk überhaupt nodig als hybride schrijvers vanzelfsprekend een plaats kunnen verwachten binnen de ‘officiële’ Nederlandse literatuur?

Nogmaals: van ons wordt verwacht dat wij ons displaced gevoel thematiseren. Kortom: men wenst slachtofferproza.

Het ontbreken van een Molukse schrijver, zoals Frans Lopulalan, in het derde en laatste deel van De postkoloniale spiegel moet als een pijnlijk gemis voelen voor lezers met een Molukse achtergrond. Niettemin wordt de lezer van (post)koloniale literatuur behoorlijk bijgepraat, dan wel ingevoerd. Ondanks mijn kanttekeningen is het boek een aanrader voor de leraar aan de middelbare school, voor docenten aan universiteiten, voor studenten en niet te vergeten een must read voor onze literatuurcritici, die naar mijn inschatting veel te weinig weten van deze meer dan interessante tak van de Nederlandstalige literatuur. Als je dit boek leest, plus alle daarin besproken werken, dan ben je een behoorlijk eind op weg. Je verkrijgt het inzicht dat veel van wat je eerder hebt gelezen uit de officiële Nederlandse canon een wel zeer beperkte blik biedt op wat Nederland heeft gevormd tot wat het nu is.