FiLM: The Invader

Postkoloniale mythe

Het gewelddadig en onrechtmatig binnen dringen van een vreemd gebied in de vorm van verkrachting is vaak een metafoor voor het kolonialisme. Maar in The _Invader,_ het speelfilmdebuut van de Belgische beeldend kunstenaar Nicolas Provost, is degene die binnendringt juist de oorspronkelijk gekoloniseerde: Amadou (Isaka Sawadogo), een jonge man uit Franstalig Afrika die op een naaktstrand ergens in Europa aanspoelt waar een beeldschone vrouw hem op een vreemde, erotische manier tegemoet stapt.

Medium film

In deze film vervagen de grenzen van het slachtoffer- en daderschap en wordt de aanwezigheid van de vreemdeling, de ‘illegaal’ of le clandestin in het moderne Europa, op intelligente wijze geproblematiseerd.

Het eerste beeld, vlak voordat Amadou op het strand belandt, is dat van een naakte vrouw met haar benen half gespreid. Het verwijst naar het schilderij L’origine du monde (1866) van Gustave Courbet, een werk waarin vrouwelijke seksualiteit als symbool fungeert en het lichaam een metaforisch landschap vormt – om te bezitten, om binnen te dringen. Maar dat lichaam is ook de lokatie van complexiteit en gevaar, misschien zelfs van de dood. Dat verhaal is ideologisch relevant, maar deze betekenis wordt in The Invader nergens opgelegd. Door verwijzing en symboliek, door een soort poëtische vervreemding, is het werk een moderne, postkoloniale mythe over verstedelijking en verkrachting, over de politiek van uitsluiting, over een indringer die geen indringer (meer) is.

Het slimme spel met beeld, met symboliek en betekenis in The Invader deed mij denken aan een andere film gemaakt door een kunstenaar: de onderschatte thriller The American van Anton Corbijn, waarin het visuele doorgaans relevant is voor de betekenis van verhaal en personage. Misschien weten beeldend kunstenaars vooral heel goed te kijken, en hoe je dat proces van het kijken kunt manipuleren om het uiteindelijke verhaal vorm te geven in het hoofd van de kijker.

Behalve met visuele verwijzingen als die naar Courbet werkt Provost effectief met ironie als literaire stijlvorm. In Brussel, waar ­Amadou ­uiteindelijk dankzij mensensmokkelaars belandt, eist hij verontwaardigd dat zijn vriend mag blijven slapen, want ‘hij heeft het recht hier te blijven’. De realiteit is dat niemand in het pand vol illegalen maar iets heeft wat op ­‘rechten’ lijkt. Ook de mensenrechten zijn niet op hen van ­toepassing, want ze zijn in feite onzichtbaar.

Verrassend zijn de humor en het optimisme waarmee Amadou vervolgens te werk gaat om te proberen deel van de stad te worden. Als een prins loopt hij door de straten, voorbij de prostituees die hij geen blik waardig gunt, door het drukke verkeer heen waar hij geld verdient door spullen te verkopen en waar een automobilist hem nu en dan een sigaret aanbiedt, tot bij een hotel waar hij zonder na te denken en alsof het de normaalste zaak van de wereld is een beeldschone blondine achtervolgt.

Door deze overgang van de duistere, nachtmerrie-achtige wereld van illegalen naar de helder verlichte setting van de ‘echte’ wereld opent zich als het ware het karakter van Amadou. De metafoor van ‘binnendringen’ wordt uitgebreid; nu gaat het om de kijker die inzicht krijgt in het hoofdpersonage. We zitten in het hoofd van een charmante jongeman die simpelweg niet anders kan dan alles op alles te zetten om die prachtige vrouw te spreken te krijgen.

Het is Agnès (Stefania Rocca): blond, beeldschoon, net als de vreemde vrouw uit de eerste scène. En ze is meteen geïnteresseerd in Amadou, in zijn lichaam, zo blijkt, want al gauw zijn ze in haar appartement waar ze zich herhaaldelijk door hem laat nemen. De tragiek is evenwel dat Amadou niet in staat blijkt de ironie van de vrouw en de stad te doorgronden; iedereen ‘neemt’ iedereen in dit verhaal, in deze wereld, maar niemand kan ooit iets echt bezitten.