Postliberaal

Onderzoek van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid, stuurt de sociaal-democratie een interessante kant op.

Dat het zo zou uitpakken konden de pvda en haar wetenschappelijk instituut, de Wiardi Beckman Stichting, niet weten toen ze hetVan Waarde-project opzetten. Toen ze begonnen met de zoektocht naar wat voor sociaal-democraten aan het begin van de 21ste eeuw van waarde is, zat het eerste kabinet-Rutte van vvd en cda met de gedoogsteun van de pvv in het zadel, was de pvda oppositiepartij en leken landelijke verkiezingen nog ver weg.

Nu de resultaten van het project op tafel liggen, regeert de pvda inmiddels zelf met de liberalen. Dat maakt de richting waarin het onderzoek van de Wiardi Beckman Stichting (wbs) de sociaal-democratie stuurt politiek des te interessanter. Want die koers moet postliberaal zijn. Dat vindt niet alleen het wetenschappelijk instituut, maar ook partijvoorzitter Hans Spekman en straks mogelijk ook het partijcongres dat zich er dit voorjaar over mag uitspreken.

Postliberaal. Wordt dat het verzamelwoord waarmee het eerstvolgende decennium kan worden gekenschetst? Zoals de afgelopen decennia de geschiedenis in gaan als de jaren waarin het liberalisme hoogtij vierde? In ieder geval was dat liberalisme dermate in de haarvaten van mens en maatschappij gekropen dat ook pvda’ers knellende banden van gezin, kerk en gemeenschap van zich afschudden, de vrije markt de ruimte gaven en efficiency als maatgevend beschouwden, of het nu was bij een bedrijf, in het onderwijs, de rechtspraak of de zorg. In de terminologie van de wbs heet het dat er een ‘te grote aanwezigheid van liberalisme in het sociaal-democratisch denken van de laatste decennia’ was. Het wetenschappelijk bureau durft de hand in ieder geval ook in de eigen pvda-boezem te steken.

Wat dat liberalisme ons heeft gebracht, is volgens de wbs een maatschappij waarin ‘de ­centrifugale krachten van het huidige kapitalisme onvoldoende in bedwang worden gehouden door politieke, maatschappelijke of culturele krachten’. In rond Hollands: het geld maakt de dienst uit, er zijn geen tegenkrachten meer. Het heeft volgens het wetenschappelijk bureau geleid tot bestaansonzekerheid die tot diep in de middenklasse vele mensen raakt. Wie, net als de wbs, veel met mensen praat en om zich heen kijkt, zal dat herkennen.

Die bestaansonzekerheid is er volgens de wbs omdat zowel het bedrijfsleven als de overheid risico’s en kosten afwentelt op de werknemers. De onzekerheid wordt verder gevoed door de economische en financiële crises, door echtscheidingen, door technologische ontwikkel­ingen die maken dat vakkennis en -vaardigheden snel achterhaald zijn, en door de wetenschap dat voedsel en land schaars worden, de wereldbevolking groeit, de lucht verontreinigd is en de criminaliteit doordringt in allerlei sectoren van de maatschappij.

Genoeg aanleiding voor een omwenteling. Je zou zeggen dat het postliberalisme door de crises in de economie, de bankenwereld en de natuur en het milieu het tij dan ook mee heeft, zoals begin jaren tachtig het liberalisme het tij mee had. Maar hoe geef je het keren van een trend door je politieke handelen ook nog een kontje? Vooral als die oude trend, waarin het ik belangrijker was dan het ons, juist heeft ondermijnd waar volgens de wbs nu behoefte aan is: het onderkennen van gedeelde waarden en gezamenlijke problemen.

Het wetenschappelijk bureau doet een aantal redelijk concrete suggesties voor maatregelen waarmee de pvda kan laten zien dat het ‘ons’ voortaan de leidraad zal zijn. Die suggesties lijken klein, het is ‘politiek van de kleine stapjes’ zoals pvda-voorman Joop den Uyl dat in de jaren zestig al noemde, maar ze laten ook zien hoe groot het verschil met regeringspartner vvd kan zijn.

Zo heeft de pvda in het regeerakkoord getekend voor een verkorting en versobering van de WW. pvda-minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken moet dat gaan regelen. De wbs is niet tegen die ingreep, terug naar een ver­zorgingsstaat zonder plichten wil ook zij niet. Maar ze vraagt zich wel af waar de investeringen blijven in scholing, zodat een werknemer van werk naar werk wordt begeleid en niet het slachtoffer wordt van een uitgeklede werkloosheidsuitkering. De vvd is niet tegen scholing, maar de vraag is of de liberalen er ook substantieel meer geld voor over hebben.

Ook voor een versoepeling van het ontslagrecht heeft de pvda getekend. De liberalen zijn daar voorstander van omdat het zou bijdragen aan de doorstroming op de arbeidsmarkt. Ook de wbs ziet de noodzaak van een flexibeler arbeidsmarkt, maar vindt de aantasting van het ontslagrecht de verkeerde route daarheen.

Laatste voorbeeld. Het kabinet heeft zich voorgenomen ook de awbz te versoberen en wil dat mensen meer voor elkaar zorgen in geval van ziekte of bij ouderdom. Ook daar is de wbs niet tegen, dat past in het sociaal-democratisch denken over gemeenschapszin en binding. Maar ze vraagt zich wel af waar dan de regelingen blijven waardoor mensen ook inderdaad werk en zorg met elkaar kunnen combineren. Ook hier is de vraag of de vvd dat wel wil regelen en wie dat zorgverlof dan moet betalen.

De wbs schrijft dat bij het realiseren van wat de pvda van waarde acht de tegenstanders duidelijk in het vizier moeten worden gebracht. ‘Een beweging zonder tegenstanders heeft weinig vrienden.’ Maar als je naar postliberaal wilt, dan zijn de liberalen toch je grootste tegenstander? Dat kan tot spanningen leiden in de coalitie, maar tegelijkertijd voorkomen dat de pvda in dit kabinet smoel verliest.

Misschien is het postliberalisme wel de nieuwe trend. Mogelijk heeft het liberalisme dermate zijn zwarte kanten laten zien dat een toekomstige vvd-leider zal zeggen dat zijn partij de ideologische veren moet afschudden. Net zoals pvda-leider Wim Kok dat in de jaren negentig deed, als een waar kind van zijn tijd.