Postmodern anarchisme

IN NEDERLAND ZIJN sociaal-democraten en anarchisten sinds 1903 niet meer on speaking terms. Volgens de anarchisten hebben de sociaal-democraten in dat jaar de goede zaak ‘verraden’, terwijl voor laatstgenoemden vanaf dat moment vaststond dat de zogenoemde ‘vrije socialisten’ elke constructieve politiek onmogelijk dreigden te maken. Voor de sociaal-democratie leek de breuk niet zo'n ramp, daar zij voorlopig flink de wind in de zeilen had, maar het anarchisme schrompelde ineen tot een verzameling minuscule splintertjes op de toch al magere linkervleugel van de Nederlandse arbeidersbeweging. Enige invloed op het intellectuele leven was lange tijd onmiskenbaar, maar sinds Anton Constandse tien jaar geleden overleed, is er nauwelijks meer van over dan een reeks moeizaam overlevende parochieblaadjes waarbij elk nummer weer moet aantonen dat de ganse wereld dwaalt behalve de erfgenamen van Bakoenin, Kropotkin en Domela.

Voor geborneerde reformisten is er dus geen aanleiding zich te verdiepen in de libertaire opvattingen, er valt immers geen electorale aanhang te winnen in deze hoek. Omgekeerd moeten anarchisten zich wel bezig houden met de sociaal-democratie, omdat die er wel in geslaagd is een massale aanhang te verwerven, al is daar nu ook niet veel meer van over.
Het vorig jaar met veel bombarie gevierde eeuwfeest van de Nederlandse sociaal-democratie zette Ton Geurtsen, mederedacteur van het sinds 1898 periodiek overlijdende en steeds weer gereanimeerde blad De Vrije Socialist, aan tot het schrijven van een kritisch boek over de sociaal-democratie. In Een geschiedenis van verloren illusies: Sociaal-democratie in Nederland analyseert Geurtsen de geschiedenis van de SDAP tot 1937. In dat jaar aanvaardde de Nederlandse sociaal-democratie een nieuw beginselprogramma waaruit de laatste resten van het marxisme waren verwijderd en waarin de partij zich duidelijk uitsprak voor integratie in de Nederlandse samenleving. Voor Geurtsen is de sociaal-democratie daarmee niet meer socialistisch. Centraal in zijn boek staat het verschijnsel van ‘sociaaldemocratisering’, wat Geurtsen beschrijft als de steeds verdergaande aanpassing aan de kapitalistische maatschappij. Door steeds te kiezen voor het 'haalbare’ veranderde het socialistische einddoel van inhoud, om uiteindelijk definitief achter de horizon te verdwijnen.
Op zich geen fonkelnieuwe visie, maar een stevige, door heel wat literatuuronderzoek onderbouwde kritische geschiedenis van de SDAP bestond nog niet. En bovendien verschijnen er tegenwoordig nauwelijks nog anarchistische boeken in Nederland.
GEURTSEN (39) ONTVANGT me ten burele van Rode Emma, de libertaire uitgeverij waar hij werkt.
Was het geen zelfkwelling, het werken aan dit boek? U heeft zich intensief verdiept in een beweging die, in uw ogen, stelselmatig heeft verloochend en verraden.
Geurtsen: 'Het woord verraad heb ik niet gebruikt, dat is niet mijn stijl. Maar wie streeft naar een radicaal, vrijheidslievend socialisme kan natuurlijk niet om de sociaal-democratie heen. Toen ik me voor politiek ging interesseren, zat de PvdA in de lift, het kabinet-Den Uyl trad aan. Ik was, vond ik toen, heel kritisch ten opzichte van de PvdA. Het was me lang niet radicaal genoeg en zodoende werd ik lid van de PSP. Tegenwoordig ben ik nog veel kritischer en beschouw ik ook de PSP in haar laatste jaren als een sociaal-democratische partij. GroenLinks is in mijn ogen groen noch links. Anarchistische standpunten zijn er bij mij geleidelijk ingeslopen, vooral door de praktijk van wat wel de nieuwe sociale bewegingen werden genoemd. Ik ben gaan inzien dat ook partijen als de PSP, en helemaal GroenLinks, de neiging hebben zich aan te passen aan de maatschappelijke orde. Volgens mij is het juist belangrijk om die mechanismen te analyseren.’
Toch lijkt me dat een deprimerende bezigheid.
'Als je je verdiept in zo'n beweging, dan kom je allerlei figuren en opvattingen tegen waarmee je je weliswaar niet volledig identificeert, maar die toch enorm inspirerend kunnen werken. Mensen als Herman Gorter, Henriette Roland Holst en Anton Pannekoek zijn mij zeer sympathiek door hun idealisme en strijdbaarheid, hoewel ik het niet met ze eens ben. Ook Joop den Uyl, toch de reformist bij uitnemendheid, vond ik een inspirerende figuur naar wie ik graag luisterde. Bij hem vond je tenminste nog iets terug van die gedrevenheid, van het ideaal.’
De sympathie voor de radicale marxistische intellectuelen in de SDAP valt op in uw boek. Voor iemand die kiest voor het libertair socialisme, is het niet gebruikelijk om de lof te zingen van lieden die gebukt gingen onder wat Marx noemde de 'Kommunistenstolz der Unfehlbarkeit’.
'Dat klopt, en daar heb ik ook wel kritiek op gehad. Toen ik ooit eens iets positiefs schreef over Rosa Luxemburg, werd ik in De Vrije hierover gekapitteld, omdat zij toch een van de geestelijke wegbereiders van het stalinisme was geweest. Ook dit boek zal verkeerd vallen bij sommige anarchisten omdat ik waardering heb voor marxisten. En radencommunisten zullen het niets vinden omdat het vanuit anarchistisch standpunt is geschreven. Ik vind dat grote onzin. De periode rond 1900 is voor mij het hoogtepunt uit de Nederlandse politieke cultuur, er gebeurde toen erg veel dat de moeite waard was, en dat niet alleen in het anarchistische kamp. Het politieke debat stond toen op een heel hoog niveau, het ging over principiele kwesties, over idealen.’
Is dat niet een wat goedkope nostalgie? Voor een intellectueel zijn die discussies inderdaad om te smullen, maar vooral omdat ze om een aantal abstracte, in de grond vrij eenvoudige vraagstukken gingen. Tegenwoordig gaat het om een oneindig aantal kleine, pragmatische en complexe zaken. Daar valt veel minder eer aan te behalen.
'Nostalgie is mij natuurlijk niemand helemaal vreemd, maar het gaat mij toch vooral om wat we er nu nog aan hebben.’
Aan de debatten over de financiele gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs, of over de vraag in hoeverre je kleine boeren en pachters moet steunen?
'Het gaat mij uiteraard niet om die debatten zelf, maar op de manier waarop mensen daarmee omgingen. Neem je een principieel standpunt in en kijk je eerst in hoeverre een praktische maatregel het einddoel dichterbij brengt, of kies je voor zo'n maatregel omdat je denkt daar op korte termijn voordeel van te hebben? Ik citeer ergens Pannekoek, die zegt dat hij niets heeft tegen praktisch werk, maar wel tegen het feit dat men zich beperkt tot de “praktijk van het ogenblik” en de “praktijk van de toekomst” uit het oog verliest. Of Rosa Luxemburg, die van mening was dat je “iedere kleine dagelijkse strijd met de geest van de eindstrijd moet inenten”.’
In uw boek schrijft u min of meer dat alles wat de sociaal-democratie heeft bereikt, van nul en generlei waarde is, omdat het ervoor heeft gezorgd dat de burgerlijk-kapitalistische maatschappij werd versterkt. Het lijkt u een 'interessant gedachtenexperiment’ na te gaan welke verbeteringen er hadden kunnen worden doorgevoerd als de SDAP bij haar radicale standpunt was gebleven. Voert u dat experiment eens uit.
'Dat valt moeilijk te zeggen, want de ideale maatschappij kun je natuurlijk niet in detail schetsen.’
Volgens mij was de sociaal-democratie bij een radicalere politiek een sekte gebleven.
'En toch ben ik van mening dat kleine groepjes veel invloed kunnen hebben. Kijk bijvoorbeeld naar het Palestina-comite. In de jaren zeventig was dat taboe, de BVD hield ze scherp in de gaten. En nu is Arafat bijna een algemeen erkend staatshoofd.’
U schrijft dat op het conto van het Palestina-comite?
'Uiteraard zijn de internationale verhoudingen doorslaggevend, maar er moet ergens een begin zijn, de mensen moeten wakker geschud worden. Kijk maar naar de oorlog in Vietnam. Een ander, misschien beter voorbeeld: in de jaren zeventig manifesteerden radicale flikkers zich in allerlei straatacties waarbij ze zich duidelijk als homo kenbaar maakten. De meerderheid van de homo’s vond dat smakeloos en was bang ermee geassocieerd te worden. Nu is het een normaal onderdeel van het straatbeeld geworden.’
Om even bij het anarchisme te blijven: als de libertaire critici van de sociaal-democratie gelijk hadden, waarom is het anarchisme in Nederland sinds 1894 dan alleen maar achteruit gekacheld?
'Omdat de meeste mensen geneigd zijn zich aan te passen. Bovendien is men tegenwoordig verdoofd door de welvaart, zodat het idee van verzet nauwelijks meer opkomt. Toch kun je niet zeggen dat het anarchisme geen invloed heeft gehad. Veel uit het libertaire gedachtengoed is doorgesijpeld naar het persoonlijke leven van veel mensen. De persoonlijke vrijheidsbeleving vindt zijn wortels voor een niet onbelangrijk deel in het anarchisme.
Alleen is het niet datgene waar het mij in de eerste plaats om gaat. Voor mij is het anarchisme vooral belangrijk als radicale vorm van socialisme, als stroming die het meest consequent de vergemeenschappelijking van de economie, de ontstatelijking en de ontwapening dichterbij tracht te brengen. Het mensbeeld van het anarchisme is voor mij minder interessant dan de maatschappijvisie.’
U ZEGT DAT de meeste mensen geneigd zijn zich aan te passen, en elders schrijft u dat het de meeste mensen niet gegeven is voor zichzelf theorie en praktijk in harmonie te brengen. Maar het anarchisme gaat toch uit van een zeer positief mensbeeld?
'Dat bestrijd ik. Dat gaat misschien voor sommige anarchisten op, maar niet voor allemaal en zeker niet voor mij. Ik denk dat Freud het bij het rechte eind had, en dat Eros en Thanatos ons handelen bepalen. Alleen ben ik van mening dat het mogelijk moet zijn om de maatschappij zo in te richten dat Eros de overhand krijgt. Natuurlijk is het zo dat ons handelen voor een groot deel ingegeven wordt door eigenbelang of door destructieve neigingen, maar een mens is tevens in staat tot het goede, tot altruisme. Dat moet dan ook gestimuleerd worden. Maar mijn mensbeeld is niet erg optimistisch. Hobsbawm heeft uitgerekend dat tussen 1914 en 1991 zo'n 190 miljoen mensen zijn omgekomen door staatsgeweld. Dat stemt tot nadenken.’
Vooral als je beseft dat de overgrote deel van die lijkenberg het resultaat is van het streven naar allerhande utopia’s.
'Als u hiermee probeert te zeggen dat iedere utopie verwerpelijk is, ben ik het absoluut met u oneens. Ik geef toe dat de meeste utopieen veel te gedetailleerd zijn, dat ze een maatschappij willen beschrijven waarvan de kiemen nog niet eens aanwezig zijn.’
Integendeel, ze zijn veel te summier. En omdat de werkelijkheid oneindig veel complexer is, kom je zodra je de utopie wil realiseren, allerlei obstakels tegen die met terreur worden opgeruimd.
'Toch ben ik ervan overtuigd dat de vele miljoenen doden van het stalinisme niet te wijten zijn aan het idee van een socialistische maatschappij. Het ging fout omdat de middelen van de bolsjevieken niet deugden. Je moet de utopie niet zien als een politiek programma dat tot op de letter en komma moet worden uitgevoerd, maar meer als een inspiratiebron, een aanzet tot handelen. In zijn pleidooi voor de utopie heeft Arthur Lehning geschreven dat het minder om het einddoel zelf gaat dan om de weg erheen. Voor die weg naar de utopie moet je een politiek programma ontwerpen. Daarin moeten zowel korte- als lange-termijndoelen zijn geformuleerd. Ik weiger mij neer te leggen bij het haalbare, want dan beneem je jezelf de mogelijkheid iets te veranderen. Hoe vaker je zegt dat iets nu nog niet te realiseren is, des te kleiner wordt de kans dat het je ooit wel lukt.
Tegenwoordig wordt door vrijwel iedereen het socialisme als iets onhaalbaars beschouwd. De doelstellingen worden steeds verder teruggeschroefd. Het communisme heeft getracht met geweld het einddoel dichterbij te brengen. Dat is totaal mislukt. Maar de sociaal-democratie heeft het einddoel begraven, en komt dus geen steek verder. Ik pleit voor een zogenaamde derde weg, een politiek die gericht is op concrete problemen, maar wel vanuit een radicale, op de toekomst gerichte visie.
Dat dat standpunt nog weinig resultaat heeft gehad, stemt mij niet wanhopig, maar ik word er soms wel erg triest van. Er is de afgelopen vijftien jaar veel veranderd, maar nauwelijks ten goede. Het niveau van het politieke debat heeft het absolute nulpunt bereikt, politieke boeken kunnen nauwelijks nog worden uitgegeven, racisme is tot in de gevestigde partijen een geaccepteerd verschijnsel geworden. De goede dingen van de verzorgingsstaat worden afgeschaft, op het ineenstorten van het communisme is zeer lauw gereageerd en van een herbezinning op het eigen standpunt is geen sprake. En de in het begin van de jaren tachtig zo bloeiende vredesbeweging is volledig ingestort. Dit alles heeft te maken met de zeer sterke aanpassingstendens die ook in het anarchisme zelf zichtbaar is. Momenteel loopt er een discussie over het zogenaamde postmoderne anarchisme, waarin afstand wordt genomen van het lange-termijndoel en het socialisme. Het is de theoretische verwoording van een individualistische tijdgeest en van een mentaliteit waarin alleen de vrijheid van het eigen ik nog telt.’
Men is weer terug bij Stirner, 'Der Einzige und sein Eigentum’?
'Ik vraag me af of veel mensen dat gelezen hebben, maar ik proef het er wel in. En dat vind ik heel jammer. Zonder gemeenschapszin, zonder socialistisch ideaal heeft het anarchisme voor mij weinig waarde, is het meer liberalisme. Maar de ideeen blijven juist, dus is het waardevol je daarvoor in te zetten. Ik geef toe dat de kans dat hier, in het rijke Westen, de revolutie uitbreekt wel uiterst klein is. Maar dat wil niet zeggen dat de revolutie niet elders kan beginnen.’
Ik begrijp die onverwoestbare revolutieromantiek niet. De meeste revoluties veroorzaken meer ellende dan het regime waaraan ze een eind maken. En wat te denken van fundementalistisch-islamitische revoluties, die heel wat meer voor de hand liggen dan anarchistische opstanden?
'Het bevalt mij niet als u het heeft over revolutieromantiek. Voor mij betekent revolutionaire politiek een opstelling die de problemen bij de wortels wil aanpakken en dus voor een radicale maatschappijverandering kiest. Daarmee onderscheidt ze zich fundamenteel van de sociaal-democratie. Door tal van oorzaken is het inderdaad meestal fout gegaan, en bovendien kunnen grote massa’s mensen ook gemobiliseerd worden voor desctructieve doeleinden, maar dat er fundamenteel iets veranderd moet worden in deze maatschappij, staat voor mij vast.’
Het klinkt allemaal heel mooi, aanlokkelijk zelfs, en sub specie aeternitatis hebben de anarchisten wellicht gelijk, maar het is onwaarschijnlijk dat veel mensen het zullen inzien. De kloof tussen gelijk hebben en gelijk krijgen blijft onoverbrugbaar en ik vrees dat Freek de Jonge het toch bij het rechte eind had: 'De waarheid is nooit groter dan het verstand waar zij doorheen moet.’